Ontvang twee keer per maand een nieuwsbrief

De stoel waar niemand ooit op zat. Hij was er klaar mee. Jarenlang had hij ter bewaring in dit duistere magazijn gestaan. Doordat er zich in geen tijden meer een mens vertoont had in het hok lag de inrichting van het hok er nogal triest bij.

Een stapel terrasstoelen was omgevallen ter gevolgen van een doorgerotte poot van de onderste stoel. De stoel waar niemand ooit op zat vond het niet om aan te zien. Niemand had de poot van het terrasstoeltje verbonden en nu waren alle andere stoeltjes ook verwond.

Alle andere meubelstukken waren er ook niet al te best aan toe. In de hoogtijdagen van dit magazijn, toen er nog geregeld mensen binnen kwamen om wat meubilaire mee naar buiten te nemen, toen kon de stoel waar niemand nooit op zat de andere meubelstukken nog duidelijk herkennen.

Toen kwam er geregeld licht naar binnen waardoor hij de kleuren van alle bekleding kon bewonderen. Nu was er al tijden lang duisternis. Het enige licht dat nog naar binnenkwam via het raampje boven de deur was niet voldoende om de andere meubelstukken te bewonderen, maar wel genoeg om te zien hoe hun kleuren langzaam vervaagden en hoe ze bedekt raakten met een laag stof.

De afwezigheid van mensen dreef de meubelstukken naar een zwijgzaam bestaan. Maar dit stoeltje, dit kleine donkergelakte stoeltje had er schoon genoeg van. Hij besloot niet te wachten tot mensen hem naar buiten zouden halen, hij zou naar de mensen toe gaan.

Zodat er na al die jaren eindelijk iemand op hem zou gaan zitten. De gewrichten in z’n vier donker gelakte poten kraakten hevig toen ze in beweging kwamen. Behoedzaam maar nieuwsgierig trippelde hij door het muffige magazijn waar hij al jaren opgesloten zat.

Het licht dat door het raampje boven de deur naar binnen viel lichtte de storm aan stofdeeltjes op, die het stoeltje teweeg bracht. Het stoeltje bekeek het fenomeen met veel belangstelling. Veel tijd gunde hij zichzelf er niet voor. Zijn nieuwsgierigheid werd getrokken door de invallende lichtstralen. Ze schenen mooi goudblauw licht naar binnen in strakke, solide-ogende stralen.

In z’n enthousiasme en dus zonder er verder bij na te denken stormde het stoeltje op de lichtstralen af. Nu weten wij dat lichtstralen wel solide kunnen ogen, maar dat in alle gevallen niet zijn. Het stoeltje rende dus  dwars door de goudblauwe bundels heen en stormde nu recht op de deur af, want zoals we weten zat het raampje waar de lichtbundels vandaan kwamen recht boven de deur gepositioneerd.

En het onvermijdelijke bleek inderdaad niet vermijdbaar met als gevolg dat de stoel de deur ramde. De deur reageerde op het stoelijke geweld door uit zijn kozijn te springen en voor het eerst in jaren zag het zitmeubilair de andere kant van de deur. Het was een mooie lichtblauw geverfde eikenbuitendeur.

De stoel besloot dat dit werd gezegd mocht worden en de deur bedankte de stoel vriendelijk voor het compliment. De donkergelakte stoel nam afscheid van het gebouw waar hij jaren opgeslagen gezeten was. Hij keerde het z’n rug toe en dartelde een heerlijke groene weide in.

Langs paardenbloemen, klavers, verschillende grassen en enkele distels ging hij. Even stond hij stil bij een groot zwart wit gevlekt lederen apparaat wat een dampend bruin voorwerp produceerde uit al het groen om hem heen. Het stoeltje bewonderde zijn bekleding ten zeerste.

Hij probeerde te achterhalen wie dit apparaat zo wonderbaarlijk goed bekleed had, maar hij kon nergens op het hele apparaat een stempel van afkomst vinden. Langzaam liep het stoeltje weg van het apparaat, want hij moest toch zeker op zoek naar mensen die op hem konden gaan zitten. Maar de bekleding van het apparaat bleef in z’n gedachten.

Hoe kom niemand leer op zo een nauwsluitende manier ergens op aanbrengen? Zijn contemplaties werden echter voorlopig verdreven door een onbepaald geluid dat tegen zijn lak aan kaatste.

Hij voelde zich sterk aangetrokken tot het geluid en zo kwam het dat hij zich richting de bron van het geluid begon te bewegen. Na een tijd lang zich door de weide gesjokt te hebben merkte hij dat de grond drassiger begon te worden. Het onderste deel van z’n poten werd wat bruin gekleurd door de modder die er aan bleef kleven.

Naarmate hij dichter bij de geluidsbron kwam, werd de weide ook drassiger. Uiteindelijk kwam hij bij het einde van de weide aan en toen bleek dat die begrensd werd door een behoorlijk wild stroompje. Het geluid dat het stoeltje hoorde, was het geluid van klaterend water op keiharde stenen.

Nu hij dicht bij was gekomen hoorde hij het luid klinken. Ook voelde hij wat spetters op zijn zitvlak neerkomen. Dat was, met het vooruitzicht dat er nog een mens op moest gaan zitten, natuurlijk niet zo mooi. Het stoeltje besloot het stroompje stroomafwaarts te volgen, op zoek naar wat rustiger water. Na tientallen meters had hij een plek gevonden waar het water zich rustig door het land begaf.

Op die specifieke plek stapte hij voorzichtig in het water, wat voor hem een geheel nieuwe ervaring was en hem daardoor tot in de diepste nerven van z’n houtconstructie liet sidderen. Het was ijskoud, maar dat deerde het meubelstuk niet want hij was verzot nieuwe ervaringen.

Al het nieuwe om hem heen dat hij gemist had toen hij nog in het magazijn leefde scheen omringd te zijn met een zweem van fabelachtigheid. Hij stapte met al zijn vier poten het ijskoude water in en het rustige water stoomde de klodders modder langzaam van z’n poten af.

Het stoeltje zag hoe er donkere stromen modder in het water verschenen die van zijn poten afkomstig waren. Hij stapte met schonen poten aan de andere kant van het stroompje het water uit. Zijn vurig enthousiasme was nu enigszins afgekoeld en rustig bekeek hij de wereld om zich een.

In de verte zag hij akelig spitse bergtoppen en dichterbij was er gras dat na enkel meters overging in een bos. De lucht begon duistere tinten aan te nemen en de warme geuren van hars en bladeren van het bos lokte het stoeltje naar de bosrand.

Het was een naaldbomenbos en hij rook heel sterk de geur van hars. Heerlijk zoet en warm. Het vulde hem met fijne gevoelens en hij meende zelfs hars door z’n eigen houtconstructie te voelen stromen. Wat een idiote gedachte was want het hout waar hij uit bestond was al jaren dood.

In het bos was het donkerder dan daarbuiten, maar de buitenlucht begon die duisternis nu te achterhalen. Het stoeltje achtte het verstandig om een goede rustplek te zoeken. Want stoelen kunnen in het donker net zo min zien als mensen. Natuurlijk had het stoeltje geen idee waar hij zou moeten rusten, want dit zou zijn eerste nacht buiten het magazijn worden en niemand had hem ooit verteld waar je het beste kon overnachten als je buiten het hok was.

Het was makkelijk om z’n poten te verstijven en zomaar in slaap te sukkelen, maar als het dan onverwachts zou gaan regenen, zou zijn lak nog wel eens lelijk aangetast kunnen worden. Hij zocht dus een mooie dikke den, of spar met een goed dicht naaldendek dat hem beschutting kon bieden. Hij liep enkele bomen af die van een afstandje geschikt achtte, maar die hij, toen hij dichterbij kwam, toch afkeurde.

En toen werd hij plotseling aangetrokken door een licht dat niet al te ver van hem vandaan lag en hij besloot die noordelijke richting aan te houden. Een eindje door een mooi gekleurd dennenbos werd gevolgd door een redelijk steile klim tegen een rotsachtige wand.

Eenmaal boven gekomen kon hij de bron van het licht makkelijk herkennen. Boven op de rotsachtige wand was een soort open plek in het bos en op die open plek zag het stoeltje enkele wonderlijk versierde ebbenhouten stoelen rond een behaaglijk kampvuurtje.

Het aanblik van de stoelen verrukte hem, want ze waren werkelijk zeer mooi bewerkt. Enkele hadden gedraaide poten en andere hadden weer rechte poten, maar alle hadden we een rijk versierde rugleuning. Op hun dikke laklaag weerkaatste het warme licht van het kampvuur.

Alles droeg er aan bij dat het stoeltje een bijzonder fijn gevoel ervoer, maar het toppunt kwam pas toen hij erachter kwam dat er twee mensen aanwezig waren bij het kamp vuur. Twee mensen! Dat waren vier bilschijven die op zijn zitvlak konden zitten.

Het stoeltje trilde helemaal van de opwinding. Dit zou zíjn avond worden! Hij had de neiging om op de mensen af te stormen en z’n zitvlak onder hun billen te steken.

Hij was blij dat hij die neiging onderdrukken kon want dat zou natuurlijk een angstaanjagende gebeurtenis geworden zijn voor de mensen. Het stoeltje begon te wikken en wegen en na een poosje besloot hij dat hij beter rustig naar de andere stoelen toe kon sluipen, om de mensen niet af te schrikken.

De eerste meters die hij aflegde gingen met grote voorzichtigheid, maar naar mate hij dichter bij kwam was won zijn nieuwsgierigheid het toch van zijn behoedzaamheid. Tijdens zijn lichte versnelling liet hij wat  dode takken onder zijn poten kraken, waardoor een van de mensen  opschrok:  ‘Is daar iemand?’ hoorde hij hem vragen. Dit was voor de stoel het teken om z’n poten volledig te verstijven en z’n zitvlak een beetje te ontspannen.

‘Ik dacht echt wat geschuifel te horen.’ Vervolgde een ander zitwezen.

‘Ik kijk wel even ‘zei de eerste stem weer. Het silhouet van een man ging tussen het vuur en het stoeltje in staan en kwam langzaam de richting van het stoeltje op.

‘Ach kijk nou, een klein donkergelakt stoeltje.’ Sprak de man toen hij het stoeltje waar nooit iemand op zat vond.

‘Ach jeetje.’ Reageerde de vrouwenstem van de andere mens.

De man pakte het stoeltje bij de rugleuning. Het stoeltje sidderde bij de aanraking van de man. De inleiding van een heerlijke zitervaring. 

‘Neem ‘m eens mee,’ vroeg de vrouw nu, ‘zet hem eens in het licht.’ De man bracht het stoeltje tot vlak bij het vuur en zette hem daar neer. 

‘Ik vind het wel een geinig exemplaar, Wilma. Mooi afgelakt ook. Zeer donkere lak.’

‘Nou ja…’

‘Is dit niet wat voor bij tante Mieke op de studeerkamer?’

‘Nee, die zijn toch van dat moderne?’

‘Ach ja.’

De man streek even over de rugleuning. Weer een rilling door de stoel. 

‘Ik vind het sowieso maar een griezelig idee dat er opeens een stoel achter ons staat zo uit het niets, zo laat op de avond. Vind je niet, Peter?’

‘Welja, je hebt gelijk, dat is een akelige gedachte. ’ Zei de mannelijke stem.

‘Je hebt hem er toch niet neergezet om mij aan het schrikken te maken, ofwel Peter?’

‘Oh, nee, dat is niet het geval. Ik heb geen idee hoe hij hier beland is.’

De man en de vrouw keken een tijdje bedachtzaam naar het kleine meubelstukje.

‘Gooi ‘m alsjeblieft op het vuur Peter, ik wil ‘m weg hebben.’

‘Ja, dat lijkt me een prima plan Wilma. Maar ik wil er toch nog even op gezeten hebben voor ik ‘m aan de vlammen voer.’

De hand liet het rugvlak weer los. De man keerde zijn rug naar de stoel en het stoeltje zag twee ietwat dikke billen boven zijn zitvlak verschijnen. Dit was dan het moment waar hij al jaren op gewacht had. De ebbenhoutenstoelen die rond het vuur stonden keken hem bemoedigende aan, alsof ze hem dit moment allemaal gunde.

Dit was zo’n groots moment voor het donker gelakte stoelletje dat hij,  net voor de billen op zijn zitvlak neer wilden komen, hevig begon te zweten. Dikke klodders lakdreven over zijn rug langs zijn poten naar beneden. 

‘Nu kijk toch, je hebt ‘m te kort bij het vuur gezet.’ Zei de vrouw. ‘Zijn lak begint te smelten.’

Waar de billen net nog zo dicht bij leken, nam de afstand tot het zitvlak nu in een rap tempo af. 

‘Verrek ja. En ik wilde daar net met m’n zondagse broek op gaan zitten. Gadverdamme.’

Twee handen grepen het rugvlak van het stoeltje en wierpen hem omhoog. En na een tijdloze vlucht door de lucht waarin de medelevende blikken van de ebbenhouten stoelen het laatste was wat hij zien zou , landde hij met een doffe klap in het vuur. Het was zo heet, en de vlammen zó hoog dat er binnen een klein uur alleen nog maar een paar schroeven en het bronzen naamplaatje met de naam van de fabrikant over waren van het donkergelakte stoeltje waar nooit iemand op zat. 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Translate »