Ontvang twee keer per maand een nieuwsbrief

Bovenstaande foto: Portret van Ding Shi, eigenaar van café-restaurant Brinkmann en café Loutje, door: Poppe de Boer, Noord-Hollands Archief / Collectie van foto’s en negatieven van Fotopersbureau De Boer te Haarlem.

Alfons vormde met Rosalinde in de kopgroep van het gezelschap, dat naast hen twee en Ramon ook verrassenderwijs bestond uit de weekschedelige barman. De barman had hun gezelschap zo gewaardeerd dat hij besloten had nog niet van hen te willen scheiden. Samen met Ramon vormde hij de achterhoede. 

‘Kan ik concluderen dat jullie twee gewoon twee ordinaire zuiplappen zijn?’ vroeg Rosalinde aan Alfons. Alfons reageerde met een lach, waarachter hij zijn verbazing verschool: ‘Ehm, ja, ja, natuurlijk.’

Hoezo zouden we ordinaire zuiplappen zijn? Dacht hij ondertussen. Zuiplappen zijn we ten zeerste, maar ordinair toch zeker niet? We maakte geen deel uit van een studentencorps of roeivereniging. Als ons al iets verweten kon worden, was het dat we pretentieuze zuiplui waren. We probeerden onze standaard hoog te houden door de laagdrempeligste cafes op te zoeken, ons onder het volk te bewegen en ons zo mensenlijk mogelijk te gedragen.

De grootste uitzondering tussen het vulgair humane en ons was dat wij onszelf als buitenstaander rekenden. We namen dan wel deel aan de vulgariteiten, maar we stonden er in zekere zin ook boven omdat we ons bewust waren van de viezigheid. Wanneer iemands rug vol modder zit, dan kan hij dat zelf immers niet zien, maar dat wil dat toch niet zeggen dat zijn rug niet vies is? De rug is vies, ongeacht zijn kennis van die viezigheid, toch? En als je als buitenstaander die viezigheid wel kunt zien, dan is dat toch wat waard?

‘Voel je je beledigd doordat ik je zuiplap noemde, of de toevoeging van ordinariteit?’ vroeg Rosalinde, nadat ze de bedachtzame blik op Alfons’ gezicht had gadegeslagen. Hij was zich meteen bewust van zijn misstap en retourneerde naar het gesprek, ‘Nee nee, geenszins. Geen belediging. Ik was even aan het denken wat nu precies de weg naar de Ganzenbek was.’

‘Haha, is goed met jou Alfons. Ik weet de weg wel. Voor een student Nederlandse Letteren en Literatuur is dat de voornaamste plek om te leren kennen. Veel belangrijker dan alle collegebanken waar je komende jaren in zult zitten.’

Het stemde Alfons tevreden te weten dat Rosalinde zijn fascinatie met de Ganzenbek deelde. Niet alleen de hedendaagse literaire kliek van de stad G. kwam hier samen, maar ook al in de tijd van Gerard H. Cornelissen was het een broeinest van literaire activiteit geweest. Naast ordinaire baravonden vonden er boekpresentaties, lezingen en andere bijeenkomsten plaats. Het kot had een rijke, beruchte historie die generaties studenten met literaire ambities aantrok.

Het was vandaar dat de Ganzenbek een selectief deurbeleid hanteerde. Men zat daar niet te wachten op naïeve, kwijlende eerstejaars studenten die naast de matige drank consumptie geen enkele vorm van significante inbreng zouden hebben in het ambiance van het cafe.

‘Het stemt me erg gelukkig dat Ramon ons meeneemt naar het cafe,’ vervolgde Rosalinde haar verhaal, ‘ik geloof niet dat er iemand van onze lichting reeds binnen is weten te komen. Maar goed, het percentage door inzicht begiftigde personen van onze lichting is dan ook vrij miniem.’ 

Alfons keek Rosalinde eens goed aan. Ze beantwoorde zijn blik met een ontwapende lach: ‘Ah joh, ik loop je maar wat te kloten, maak je geen zorgen, ik ben zelf ook een ordinaire zuiplap.’ Ze knipoogde. Ze was beslist een wezen van het sociale aard, concludeerde Alfons. Ze wist hoe ze haar knipogen en glimlachen moest doseren in een gesprek. Een uiterst sympathieke verschijning, ik ben blij dat ze er bij is vanavond.

‘Wat denk je nu?’ vroeg Rosalinde nadat ze een tijdje op een reactie had gewacht. ‘Niet zoveel,’ moest Alfons bekennen.

‘Haha, okay Alfons.’ Ze glimlachte weer en draaide zich om naar de achterhoede. Ramon en de barman steunden op elkaar en hoewel hun voortschrijdingen bijzonder moeizaam verliepen, hadden ze wel de grootste schik met z’n tweeën. 

‘Ramon!’ Riep Rosalinde, ‘zou je het initiatief willen overnemen? We zijn bijna bij de Ganzenbek.’ ‘Uitstekend, uitstekend,’ Ramon worstelde zich onder de barman’s arm vandaan, ‘als u me even zou willen excuseren meneer de barman, mijn aanwezigheid wordt verwacht.’

Hij waggelde naar voren en knikte zijn hoofd naar de tweeledige voorhoede. Nadat hij de hoek van de straat omgeslagen had ging er een siddering door zijn lichaam die hem hielp om zijn zelfverzekerde tred te hervinden.

Met zijn drie kameraden in zijn kielzog vond hij de weg naar de Ganzenbek, alwaar hij iedereen probleemloos naar binnen loodst. Dit laatste was geen grote opgave, men moet zich niet voorstellen dat er lange rijen voor het literaire cafe stonden waar ze zich doorheen moesten wroeten. Het concept van lange rijen en uitsmijters behoort nu eenmaal een geheel ander soort etablissement toe.

De Ganzenbek had echter een zeer verfijnd mechaniek ontwikkeld die hetzelfde doel bewerkstelligde. Binnen de kroeg heerste namelijk een toxide combinatie van verfijnde smaak en dedain die zelfverklaarde intellectuele zichzelf zo graag toeschrijven. De sfeer hangt als een ondoordringbaar vlies om alle aanwezigen heen en stompt buitenstaanders sterker in de maag dan de vuistslag van een cementzakken-uitsmijter. Wie getroffen wordt door de sfeer in de Ganzenbek wordt namelijk niet slechts overvallen door de onmiddellijke wens om weer te vertrekken, maar ook door de neiging om alle herinneringen aan de Ganzenbek op hardhandige wijze uit zijn brein te beitelen.

Alfons Wiedemeijer
Alfons Wiedemeijer

“Naast literatuur en dialoog, laaf ik me uitsluitend aan water, melk en bier.”

⬇️ Exclusieve nieuwsbrief ⬇️

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Translate »