Ontvang twee keer per maand een nieuwsbrief

Afbeelding via Bruzz, Collectie CAVA F3197 15

‘Opmerkelijk,’ dacht Alfons, ‘hoogst opmerkelijk. Een boer die zichzelf als stompzinning beschrijft, maar toch met zo een citaat van zo een, weliswaar onder stof bedolven, grote filosoof  op de proppen komt. Zoiets zal vast niet vaak voorgekomen zijn. En was het niet wonderlijk hoe het verhaal zo een sterke gelijkenis vertoonde met de situatie van Bahalaleël uit het Oude Testament, de herder die seks had met zijn schapen in de overtuiging dat de zachtheid van de viervoeters af zou geven op zijn persoonlijkheid en zo zijn familie jaren van voorspoed zou brengen.

‘Oh, de heerlijkheid van het woord,’ dacht Alfons, ‘hoe anders was mijn dag begonnen als dit bericht me op enige andere manier ter geest was gekomen dan via deze tekst? Het vergt een zeldzame combinatie van kunstenaarschap en een gestudeerd brein om de verschrikkingen van bestialiteit in een literaire vorm te gieten waarbij de brede, historisch-filosofische context gerespecteerd wordt om via die weg het doel van het eeuwige soelaas te benaderen.’

Na dit artikel gelezen te hebben was Alfons eigenlijk van plan geweest om het dagblad neder te leggen en zich zichtbaar geïnteresseerd op te stellen tegenover te professor en zijn lectuur. Echter bleven de kunstige verwoordingen van het krantenartikel hem bezig houden. Wat voor een doortrapte redacteur zou in staat zijn om het koude, kille Deense nieuws te vertalen naar een troostend, warm bericht dat een schouder bood aan de behoevende?

Alfons besloot dat hij de redacteur moest contacteren om optimale lering te trekken uit deze situatie. Waarom zou hij zijn tijd verdoen met het luisteren naar een professor die zonder enige praktische ervaring literatuur beschrijft vanuit zijn dode stoel? Veel beter was het om de kunst van het woord met de pen geschreven zien worden door een echte schrijver. Hoe dichter hij bij het vuur zou komen, hoe beter hij kon smeden. 

Hij bladerende naar het colofon en vond al snel dat de redacteur van het desbetreffende katern schuilging onder de naam Frederik Waldenstein. Hij keek even op naar de professor en de rest van de zaal. Afgezien van twee meisjes die snel wegkeken toen hij opkeek, had iedereen de focus bij de lezing.

Alfons besloot daarop de naam van redacteur Waldenstein en de contactgegevens uit de krant te scheuren. Hij vouwde de krant op, stopte het stukje krant in zijn broekzak en stond op. Terwijl hij zijn jas aan het installeren was, merkte hij op dat het monotone geluid van de stem van de professor opgehouden was.

Verbaasd keek hij naar onderen in de zaal en ving de ogen van de professor. ’Meneer Wiedemeijer, heeft u er genoeg van gehad?’ vroeg de professor op een quasi geïnteresseerde manier, waarop Alfons bevestigend knikte en zei: ‘Ja, meneer.’

Vervolgens verliet hij de collegezaal en vond zijn weg naar buiten, de professor verbaasd achterlatend. Buiten aangekomen ging hij opzoek naar de dichtstbijzijnde telefooncel. Uit zijn hoofd wist hij dat er een op het Rapendammerplein stond, wat vanuit geografisch perspectief het dichts bij zijn huidige locatie was. Hij besloot echter in noordoostelijke richting te bewegen, op weg naar het Centrale Marktplein. Daar was immers ook een telefooncel en bovendien was de dichtheid goede cafes daar een stuk hoger. Met een peukje in m’n bek liep hij goedgemutst naar het Centrale Marktplein. 

Hij stak rechtstreeks over en keek tegen de zon in naar de overkant van het plein, waar Ramons kamer gevestigd was. Een geweldige locatie, vond Alfons. Het was de voormalige woning van Ramons grootvader geweest en vanuit het raam kon je schitterend alle mensen op het plein gadeslaan. Met een beetje fantasie kon je je in beelden dat het standbeeld van Ramons grootvader je aankeek als je op het balkon stond.

Alfons voelde zich aangetrokken tot het standbeeld en paste zijn koers daar op aan. Vlak voor het het beeld bleef hij staan en zocht oogcontact met de statige man. Hij probeerde de ogen te vinden, maar kon niet met zekerheid zeggen of het beeld naar beneden keek, of dat het naar boven keek. Daarop besloot hij dan maar het plakkaat op de sokkel te lezen. 

Gerard H. Cornelissen

 1921-1974

‘Zolang de meeuwen zweven’

Een toelichting van verdiensten was natuurlijk van verwaarloosbaar nut geweest, daar het als vanzelfsprekend gold dat iedere burgerman Gerard H. Cornelissen zou herkennen. Een grotere status dan een naamplaat zonder verdere toelichting kon Alfons niet bedenken.

Dit moest hij onthouden, die zou een van zijn doelen moeten worden. Samen met Ramon had hij een tijd geleden afgesproken dat een van de maatstaven van hun success een persoonlijke wikipedia-pagina zou zijn. De voorwaarden omvingen onder andere dat de wikipedia pagina’s door wild-vreemden aangemaakt moesten zijn en dat er in de biografie-sectie een verwijzing (inclusief werkende hyperlink) naar elkaars wikipedia-pagina moest zijn. Onder het kopje beginjaren of zo iets dergelijks. Zodat scholieren die dan over tig jaren een boekbespreking zouden moeten houden over een van hun boeken, verbaasd op zullen kijken van de wikipedia-pagina en denken ‘goh, wat interessant dat die twee grote schrijvers vroeger al bevriend waren. Voordat ze überhaupt bekend waren. Hoe groot is die kans? Fascinerend.’ 

Voordat er een volgende gedachten in zijn hoofd kon ontspruiten, voelde Alfons een hand op z’n schouder. 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Translate »