Ontvang twee keer per maand een nieuwsbrief

“Beste student,

Je studiefinanciering wordt woensdag 25 oktober overgemaakt. Het kan per rekeningnummer en per bank verschillen hoe laat het geld precies op je rekening staat. Dit kan ook ‘s avonds zijn. Daarom heeft het geen zin om ons over het tijdstip van de uitbetaling te bellen.

Met vriendelijke groet,

Directeur Onderwijsvolgers
Dienst Uitvoering Onderwijs”

Alfons sloot zijn mail af. Morgen zou hij 700,- in zijn handen geduwd krijgen van de overheid. En dat iedere maand. ‘Wat een wereld leef ik in.’ Dacht hij terwijl hij zijn agenda applicatie opende.

“Joo Alfons’

“Ik zag door het streepje licht dat onder je deur vandaan kwam dat je thuis was.”

“Zin om mee te smoken?”

De hele dag was Alfons alleen thuis geweest. Zonder het licht op zijn kamer aan gemaakt te hebben had hij een boek gelezen. In de avond had het verlichten van zijn kamer geen meerwaarde, mits de gordijnen geopend waren. De straatlantaarns en neonlichten van de drukke weg waaraan hij woonde grepen de witte wanden van zijn kamer vast en kotste hun kleuren over hen heen. Nu hij het licht aan had gemaakt had hij zijn huisgenoten gesignaleerd. Natuurlijk had hij ze al eerder gehoord. De subtiele elektronische muziek en het geschuifel van voeten op de verdieping boven hem vormden een constante ruis die hem al lang niet meer stoorde. Hij besloot Tom terug te whatsappen.

“Nee, dankje haha.”

Hij stond nog bij de lichtschakelaar. Hij bevond zich in een staarmomentje. Hij staarde naar niets in zijn kamer. Er was ook weinig om naar te staren. Nog steeds had hij geen bed, zijn matras lag eenzaam in de hoek van de kamer. Op ongeveer een meter van zijn matras hing de oplader van zijn mobiel treurig aan de muur. Wat was toegevoegd aan zijn interieur was een oude fauteuil die zijn ouders hadden meegebracht toen ze een tweede keer op visite waren gekomen. Het was een zeer versleten, zwart lederen fauteuil. Ooit had hij de grootvader van zijn moeder toebehoord, maar hij was onvermijdelijk gestorven en de familie kon er om emotionele redenen geen afstand van doen. Praktische bezwaren hadden hem al jaren naar zolder verbannen, maar nu zag de familie een mooie kans om praktische en emotionele redenen te bundelen en hem bij Alfons op de kamer te dumpen. Verlicht door het enkele gloeilampje aan het plafond kreeg het allemaal een zeer armoedige indruk, wil het niet dat Alfons er de romantiek van inzag. Zo hoort een beginnend schrijver te leven: alleen in een grote stad en het lijden aan de beperkingen van het moment.

Hij werd wakker uit zijn staren en verliet de hoek van zijn kamer waar de lichtschakelaar gepositioneerd was. Hij stopte bij zijn wandkast en haalde zijn jas van de kleerhanger. Rommelend doorzocht hij zijn jaszakken. Sleutels, portemonnee, pakje sigaretten. Alles naar verwachting tot zover. Hij bleef nog even rommelen. ‘Verdomme, waar is m’n aansteker.’ Een aantal dagen terug had hij met trots nog aan medestudenten verteld dat hij een heel rijtje van dezelfde aanstekers op zijn kamer had, maar dat hij geen idee had hoe hij er aan gekomen was. Vast van mensen geleend en niet terug gegeven, misschien gestolen. Hij wist het niet, dat maakte het verhaal destijds nog indrukwekkender. Maar nu had hij dus helemaal geen aanstekers meer op zijn kamer.

Door zijn hoofd flitste nu een scene uit een tv-serie die ooit gekeken had. Een koel en statig politicus haalt een sigaretje uit een verborgen compartiment van zijn keukenlade en buigt vervolgens over het fornuis heen om hem aan te steken.

Zo een visualisatie was het voordeel van de geest van een schrijver. Veel mensen denken dat een schrijver slechts verhalen schrijft als hij achter zijn typemachine zit. Daar heeft die groep mensen het fout, want een schrijver schrijft de hele dag door verhalen. Een schrijver dient in staat te zijn vleselijke bibliotheek constant beschikbaar te stellen aan de gebeurtenissen die zich in zijn realiteit afspelen. Hij moet gebeurtenissen, feiten en meningen kunnen linken aan alles dat ooit al gebeurt is.

‘Uitstekend, ik heb weer bewezen dat ik een schrijver ben.’ Tevreden gesteld met deze conclusie, trok Alfons de jas over zijn lichaam heen. Hij opende de deur van zijn kamer en stapte de gang op. Hij rook de geur van wiet die Tom met zijn vrienden rookten in de woonkamer op de tweede etage van hun huis. Alfons zuchtte even, hij zag weinig in een interactie met de jongens die boven zaten. Sluiks wierp hij een blik op de oranje gloed die de trap van bovenaf verlichtte. Hij ritste zijn jas tot aan zijn keel dicht en betrad de treden. Geluiden van zacht gegrinnik en dart pijltjes die voorwerpen raakten kwamen hem tegenmoet. Hij stapte de ruimte boven aan de trap binnen met een ontwijkende ‘Goede avond heren’. De jongens keken even zijn richting op. Alfons probeerde oogcontact te vermijden door snel door te lopen naar het keukentje dat zich naast de woonkamer bevond. ‘Hoe gaat tie man?’ Hoorde hij een stem achter hem vragen. Hij herkende de stem niet en toen hij zich omdraaide herkende hij het gezicht ook amper. Het was een van de jongens van Tom die wel vaker over de vloer kwamen. Allen hadden zich al eens aan hem voorgesteld, maar hij bleef de personen vergeten.

‘Alles goed?’ herhaalde de jongen.

‘Uhm ja, hoor. Uitstekend. Het vergaat me uitstekend. En met jou?’ Alfons gaf de jongen een hand en keek hem even aan. Hij herkende deze jongen wel. Hij had hem een keertje een biertje gegeven in een kroeg die hij niet meer kende. ‘Ja, ach ja gaat wel goed ja. Ga je nog uit vannacht? Of kom je ergens vandaan?’

Alfons realiseerde dat hij zijn jas, gesloten tot aan zijn nek, nog steeds droeg. ‘Haha, ja, ik wilde even een wandelingetje gaan maken. Ik zocht slechts m’n aansteker nog.’

‘Wat voor een aansteker is het? Een Biccie?’

De jongen begon wat in keukenlades te rommelen alsof dit zijn huis was. ‘Bic aanstekers heeft iedereen in de keuken liggen.’ ‘Nee het was geen bic, het was gewoon een gewone.’ De jongen stopte met rommelen en keek Alfons aan. ‘Een gewone? Godverdomme Alfons, een bic-aansteker is een gewone aansteker.’

‘Zoeken jullie een bic aansteker?’

Een van de andere jongens had lucht gekregen van het gemis van een aansteker. De eerste jongen riep terug ‘Ja, we zoeken een biccie man!’, hij trok nog een lade open. Twee andere jongens voegde zich nu bij hen in het nauwe keukentje. Eentje trok de keukenkastjes bij de grond open en doorzocht vakkundig alle potten en pannen. De andere haalde de kastjes boven het fornuis open en graaide tussen al Alfons’ etenswaren. Alfons begon zich nu erg ongemakkelijk te voelen. Hij wilde zo geruisloos de keuken in glippen om zijn sigaretje aan te steken aan het fornuis, nu stond hij met veel te veel man in een een te nauw keukentje en alle aandacht was gericht op hem en zijn probleem. Hij besloot om wat naar achtere te schuifelen en het fornuis aan te zetten. Hij boog voorover en zoog aan zijn sigaret. De rook die beslag nam van de holle ruimtes van zijn lichaam, kalmeerde hem. Hij keek naar de jongens die nog steeds fanatiek aan het zoeken waren. Alles werd overhoop gehaald. Alfons leunde achterover tegen het fornuis aan en aanschouwde alles. Op een zeker moment kwam Tom’ hoofd om de hoek hangen. ‘Hallo mensen,’ zei hij met een grote grijs op zijn gezicht, ‘wat doen we hier?’ Zijn oogleden leken met lood bekleed te zijn; ze hadden een blauwe kleur aangenomen en hingen zwaar naar beneden. Hij bleef maar grijnzen, de wiet had duidelijk effect op zijn geest en lichaam.

‘We zoeken een aansteker.’ Riep de jongen die in de onderste kastjes aan het zoeken was. Tom keek Alfons aan en vroeg: ’Weet jij er nog een te vinden?’  Alfons stond nog steeds tegen het fornuis geleund zijn sigaretje te roken. ‘Nee, we zoeken nu juist voor hem een aansteker.’ De jongen die Alfons als eerste besloten had om Alfons te helpen stond op en rechtte zijn rug. ‘Ik denk niet dat hier een gewone bic aansteker ligt man, sorry Alfons.’ De andere jongens stopten ook met zoeken en mompelde dingen als ‘Ja, hmm’ ‘Nee, niks gevonden.’ Ze liepen terug naar de woonkamer. Eentje krabde nog even achter zijn oor om te illustreren dat hoe vreemd hij het vond dat ze geen aansteker gevonden hadden. Alfons liep achter hen aan, blij dat hij de ruimte kon verlaten. De jongens ploften op de banken in de woonkamer. Tot Alfons’ stomme verbazing zag hij daar, verspreid over de salontafel verschillende van zijn aanstekers liggen. De jongens schenen het niet te merken. Eentje pakte zelfs een van de aanstekers op om een sigaret mee aan te steken. Alfons had geen zin om langer dan nodig in de ruimte te blijven en verdween dus geruisloos het trapgat in. Halverwege de trap stopte hij en haalde een nieuwe sigaret uit zijn zak. Met behulp zijn het peukje dat nog in zijn mond hing, verhitte hij zijn nieuwe sigaret. De peuk spuugde hij uit op de trap. Opgelucht sjokte hij de trap naar de begane grond ook af. Hij wilde de rits van zijn jas weer omhoog, tot aan zijn keel, ritsen, maar hij herinnerde dat hij dat reeds een tijd geleden al gedaan had. Hij liep door de gang naar de voordeur. De lege bierflesjes, de scherven van een gebroken spiegel, de peuken en het overige vuil vormde een erehaag voor Alfons terwijl hij zijn weg naar de openlucht vond. Aan de andere kant van de voordeur vond hij de frisse lucht waar hij naar verlangde op dat moment.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Translate »