Meld je aan voor de nieuwsbrief

De held van deze geschiedenis schuilt onder de naam Alfons Wiedemeier. Bij aanvang van deze vertelling, waarbij de uitleg van zijn noodlottige fascinatie gegeven zal worden begeeft Alfons zich in een groteske serre aan de oostvleugel van een oud klooster.

Zijn ouders vergezellen hem aan zijn beide weerzijden. Iedereen heeft z’n ellebogen boven de tafel en z’n rug gerecht. Vader en moeder nemen om beurt een slok thee terwijl ze een conversatie met een familiare non in stand houden.

De geluiden van de conversatie verstommen wanneer ze in Alfons’ oorschelp belanden. Zijn aandacht wordt getrokken de werkelijk schitterende zonnestralen die de ruimte doorklieven.

Niet enkel van linksboven, door de hoogst geplaatste ruitjes in het witgeschilderde gietijzeren rasterwerk, maar van alle mogelijke hoeken stroomt het licht hem toe. Eén enkele zonnestraal werpt zich door een ruitje en landt vervolgens op het gehele oppervlakte van de ruimte, waarbij hij elk voorwerp van een weerkaatsend aureool voorziet.

Het machtigst is de kristallen kroonluchter die een zonnestraal in duizend stralen divergeert en zo het indrukwekkendste aureool voor zich zelf creëert. 

Het is echter niet het licht dat van Alfons’ interesse geniet, maar de schaduwen die zich als gevolg van de inkomende zonnestralen opwerpen. Het magnifieke lijnenspel dat de schaduw van de theepot oproept vertoont alle symptomen van perfectie.

Van links en recht vallen de zonnestralen de theepot aan, maar alle ketsen af op de emaillen wanden. Niemand komt aan de schaduw. De theepot beschermt de schaduw tegen het felle licht. Alle schaduwen in de ruimte worden beschermt door voorwerpen. De schaduw is ongenaakbaar. 

Deze zojuist verkregen kennis ontroerde Alfons zowel als het hem fascineerde. Was het niet de pastoor die hem vertelde dat ongenaakbaarheid slechts God toe behoorde? 

Was het niet de slager die hem vertelde dat niemand ongenaakbaar was onder zijn hakmes? Klopt het dat zijn zeer belezen oom hem ooit vertelde dat ongenaakbaarheid een fabel was? 

Dagenlang kwelde dit mysterie hem. Ze cirkelde door zijn gedachtes en telkens wanneer hij een schone schaduw zag herinnerde die hem aan de ongenaakbaarheid, de perfectie en het mysterie ervan.

Tijdens zijn dagelijkse bezigheden besteedde hij voortaan meer aandacht aan de schaduwen die ze opriepen dan aan de bezigheden zelf. Het mysterie was wat hem het meest bezig hield. Hoe was het mogelijk dat een schaduw zich altijd in de exacte vorm van z’n beschermheer wist te vormen. Waarom moest de schaduw überhaupt beschermt worden tegen het licht? 

Honderden van deze vragen verzamelden zich in Alfons’ hoofd maar nog nooit had hij ze uitgesproken. Tot het moment dat hij besloot dat het zo niet langer meer kon. Hij moest antwoorden hebben. Het mysterie kon niet immer een mysterie blijven.

Hij besloot zijn heimelijke gedachtes als eerste aan de kapelaan te openbaren. Aan de unieke ongenaakbaarheid van God mocht volgens zijn opvoeding immers niet getwijfeld worden en dus leek het hem wijs om zijn reeds ontstane twijfel te laten ontkrachten bij de kapelaan. 

Zondagmorgen na de mis bleef hij onder het voorwendsel van een kerkhof-bezoek in de kerk hangen. Na wat rondjes gelopen te hebben ging hij op een houten kerkbank, aan het gangpad in het middenschip zitten.

Daar wachtte hij tot dat de kerk volledig leeggestroomd was. Hij wachtte totdat hij het gevoel had dat zijn bekken door zijn billen waren gezakt. De kapelaan had Alfons zien zitten en liep met een vaste tred richting het joch. In het gangpad aan de zijkant van de kerkbank waar Alfons zat hield hij halt. Hij vroeg Alfons of hij voor een heimelijke biecht kwam.

Nadat Alfons daar een ontkennend antwoord op gegeven had en de kapelaan gevraagd had wat de reden zijn aanwezigheid dan wel mocht zijn begon Alfons te raaskallen.

Hij spuugde alle woorden die in hij hoofd ronddreven omtrent de herinnering van de schaduwen in één maal zijn strot uit. De kapelaan keek Alfons ernstig aan en gebood Alfons eens diep adem te halen en redelijke zinnen te maken in zijn hoofd, voordat hij ze langs zijn stembanden liet weergalmen.

Alfons dacht even na en de kapelaan nam naast hem plaats op de kerkbank. Toen begon Alfons met de zin: ‘Is de schaduw net zo goddelijk als God?’ De kapelaan fronste en sprak vrijwel direct: ‘Niets is zo goddelijk als God. Hij is de vader alles wat er bestaat en geen enkele zoon is zijn vaders gelijke.’

Daar nam Alfons geen genoegen mee: ’Maar de schaduw is ongenaakbaar. Geen enkel licht kan het treffen. Niemand kan de schaduw vangen. Wanneer je een schaduw op tracht te pakken, zal hij op je gaan zitten. Een schaduw staat dus in principe boven alles. Het is onvangbaar en ongenaakbaar en u was het die me vertelde dat enkel God ongenaakbaar is.’

De kapelaan was zichtbaar geschokt van deze uitspraken. Niet enkel kon er een blasfemische ondertoon uit opgemaakt worden, maar ze waren daarnaast ook zeer kloppend.

Dat leek de kapelaan een gevaarlijke combinatie van eigenschappen voor een gedachte en dus besloot hij zeer gevat met een glimlach te antwoorden: ‘De schaduw is ongenaakbaar, doordat God schuilt in de schaduw. God is namelijk overal om ons heen. Hij waakt over ons en is dus overal aanwezig, ook in de schaduw.’

De kapelaan aanschouwde Alfons’ gezicht en de kritische gezichtsuitdrukking die hij zag beviel hem allerminst. Daarom voegde hij, op een zeer strenge toon ‘Wie twijfelt aan de almachtigheid van God zal aan de hemelpoort beslist geweigerd worden. Houdt dat in je achterhoofd jongeman. Nu vooruit ga naar huis en vraag God vanavond in je gebed om vergeving voor je onzuivere gedachtes.’

Teleurgesteld slenterde Alfons over straat terug naar huis. Het enige wat hem bezig hield de laatste weken was nog steeds een mysterie. Was is de schaduw? Is er iets dat de perfectie van de schaduw benaderd?

Wetenschappelijk was het ook zo lastig te onderzoeken. De schaduw liet zich immers niet vangen en gewillig onderzoeken. De schaduw verspringt telkens wanneer je het grijpen wilt. Niemand heeft ook ooit een schaduw aangeraakt, doch zit iedereen er aan vast.

Een schaduw laat zich niet raken. Alfons probeerde het menigmaal maar telkens drukte hij er door heen en raakte hij de ondergrond waar de schaduw op lag. De fonkeling van fascinatie dreigde langzaam in een bron van frustratie om te slaan. 

Alfons besloot, in navolging van zijn gesprek met de kapelaan, zijn gedachtes in z’n volledigheid te openbaren.

Toen hij zich op een zekere dag in het bijzijn van zijn zeer belezen oom bevond besloot hij zijn gedachtes aan hem te openbaren. Zijn oom was een man die in grote weelde verkeerde doordat hij een vrouw van een oud adellijk geslacht getrouwd was. 

In zijn huis was hij zonder regelmaat, maar toch op vele tijden in de grote bibliotheek te vinden. De wanden waren volgeplakt met grote eikenhouten boekenkasten die tot het plafond reikten.

Het boekenaantal was voor Alfons zó overweldigend dat hij er menigmaal duizelig van werd. ‘Veel boeken maken de man een heer.’ Bracht de oom hem frequent bij. Alfons twijfelde niet aan deze uitspraak.

De antwoorden op zijn vragen moesten beslist in een van de boeken staan. Nu was Alfons bij het volle bewustzijn dat het een eeuwigheid zou duren alvorens hij alle juiste boeken gezocht en gelezen zou hebben. Het meest rapide  alternatief was door het aan zijn zeer belezen oom te vragen. Hij was immers meester over alle woorden uit alle boeken uit zijn bibliotheek. 

Onder een vals voorwendsel lokte Alfons zijn oom mee naar de bibliotheek, waar hij direct ter zake kwam. ‘Mijnheer Wiedemeier, is het zo dat ieder voorwerp een schaduw heeft?’ Alfons wilde niet met de deur in huis vallen en besloot zijn oom wat op te warmen met een inkoppertje, alvorens hij met het echte werk zou beginnen.

‘Ja. Ja, daar is geen woord aan gelogen.’ 

En, oh, mijnheer Wiedemeier, waar bevindt zo een donkere plek die aan ieder voorwerp kleeft zich dan werkelijk?’ Hoewel Alfons het antwoord reeds jaren rijk was, besloot hij de vraag toch te stellen. Het is immers nooit verspilde moeite iemand zijn ego te  strelen door het oppoetsen van de glans zijn kennis.

‘Schaduw is daar waar het licht niet is, beste neefje. Het is waarachtig bij de simpelste observatie waar te nemen, hoewel men wel de hersenen nodig heeft om de verkregen informatie om te zetten in wetenschap.’

Het incasseren van deze kleine belediging, gericht op het gebrek aan intelligentie van Alfons zelf, hoorde bij het reeds genoemde en daarbij zeer functionele ego strelen der gesprekspartner.  

Alfons’ herinneringen brachten hem terug naar de bewuste morgen in de serre van het klooster, waar zijn fascinatie voor schaduwen begon. Hij zag de theepot weer voor zich die van links en recht aangevallen werd door lichtbundels.

De lichtstralen die hun offensief van de linkerzijde inzette verlichtte de schaduw die de lichtstralen van rechts veroorzaakten. De bewering van zijn oom bleek derhalve niet kloppend te zijn. 

‘Maar oom, nu was ik na aan het denken, en vroeg me af, en vergeef me daarbij mijn onwetendheid en gebrek aan vernuft. Ik dacht aan een voorwerp dat van twee kanten belicht wordt.

Het licht van rechts creëert een schaduw aan de linkerzijde van het voorwerp en het licht van de linkerzijde creëert een schaduw aan de rechterzijde van het voorwerp. Er is dus aan beide zijdes een schaduw, die leeft zonder gebrek aan licht. Het voorwerp word immers aan beide zijdes belicht. 

Alfons zag zijn oom schrikken van de reactie. Het was een zeer correcte formulering en Alfons wist dat het klopte want hij hield zich ruime tijd met deze materie bezig.

Hij meende dat hij zichzelf welhaast expert op het gebied der schaduwen mocht noemen. Toch wachtte hij hier gespannen het antwoord van een zeer belezen man, van wie hij hoopte dat hij meer van schaduwen wist dan hij zelf.

Bij het schrikken van de reactie was het gezicht van zijn oom vertrokken, maar binnen mum van tijd had hij het weer in plooi en glimlachte vriendelijk: ‘Nee, m’n beste Alfons. Dat zie verkeerd. Er bestaat geen schaduw waar licht is.

Het voorwerp waar jij net met werkelijk ongepast enthousiasme over sprak heeft simpelweg geen schaduw wanneer het van twee kanten belicht wordt. Je kon dat ook niet weten, je hebt daar nu eenmaal de hersenen niet voor. Nu, het lijkt me verstandig dat je nu naar huis gaat en me niet meer lastig valt met zulke onnozelheden.’

Alfons zette grote ogen op. Hij wist zeker dat er schaduwen in licht bestonden. De theepot in de serre bewees het. Kon hij de herinnering maar laten zien aan zijn oom. ‘Oom, je moet me geloven! Ik weet het zeker: er bestaan schaduwen in licht! Ik kan het bewijzen.’ 

‘Verdomme, je oom tutoyeer je niet! Nu er eruit of je krijgt een schop!’

En zo kwam het dat Alfons voor de tweede maal teleurgesteld over straat slenterde. Tussen de grote massa van de teleurstelling dreef nu echter ook een brokje vastberadenheid.

Hij moest en zou het antwoord te pakken krijgen. Twee, als bovengemiddeld intelligente beschouwde personen, hadden hem reeds teleurgesteld, maar dat konden ze toch niet allemaal doen? Alfons stelde een plan op.

Hij zou alle notabelen in de omgeving van zijn woonplaats aan een vragenvuur onderwerpen. Hij kon duizend teleurstellingen te verduren krijgen, maar als er één juist antwoord tussen zat, was de methode geslaagd. 

Het eerste, bedacht hij, moest hij het aan zijn baas voorleggen. Alfons werkte in een bakkerij en zijn baas was dus als vanzelfsprekend de bakker. Een bakker is een knooppunt in de samenleving, zo redeneerde Alfons,  ieder mens heeft namelijk brood nodig om zich te voeden en komt dus naar de bakker.

Ieder lid uit de samenleving, ongeacht klasse of inkomen,  komt bij de bakker. Een bakker heeft dus een schat aan kennis over en van het volk. Daar moest Alfons beslist gebruik van maken.

In de bakkerij werkte hij wekenlang extra hard om op te vallen de bakker. Voor een hardwerkende knecht heeft iedere baas immers sympathie. Op het moment dat hij de tijd rijp achtte, het was een donderdag middag en de werkdag zat er haast op, besloot hij zijn gedachtes te ontbloten en de vragen te stellen.

Aan een houten, potige tafel zaten de bakker en Alfons tegenover elkaar. De bakker deed zich te goed aan een stuk vers brood terwijl Alfons zijn reeds vergaarde kennis over schaduwen oprakelde, de gesprekken met de kapelaan en zijn oom beschreef en eindigde met een reeks vragen omtrent zijn onderwerp waar hij nog steeds geen antwoorden op gevonden had. 

‘Mijn beste jongen, Alfons, het allemaal niet zo ingewikkeld als je denkt. Kijk het zit zo: ieder mens wordt gemaakt zijnde een zwak bolletje deeg. Zuiverder deeg bestaat er niet.

Het is ontzettend rein en puur deeg. Het deeg gaat, zoals wij met echt deeg hier in de bakkerij ook doen, de oven in. Bij wijze van spreken dan, in feite bedoel ik de baarmoeder.

Daar krijgt het deeg de kans om te rijzen. In veruit de meeste gevallen gaat het echter in die fase mis. Het pure en zuivere deeg zit te lang in de baarmoeder. Dan worden de naargeestige eigenschappen van mensen ontwikkeld. Je kent ze wel, iedereen heeft ze.

Ze zitten verstopt in ieders schaduw. De schaduw van elk mens kan dus gezien worden als het roet dat op een broodje zit dat te lang in de over heeft gezeten.’

De bakker lachte triomfantelijk bij het uitspreken van de die laatste woorden. En propte nog een stuk brood z’n mond. Hij kauwde opzichtig terwijl Alfons het verhaal liet bezinken. Het was een verhaal het afgelopen jaar nog nooit in hem opgekomen was.

Het klonk op bepaalde vlakken zeer aannemelijk. Slechte eigenschappen zijn immers geen tastbare voorwerpen en wanneer die zich zouden verenigen in een geheel zou dat ook niet tastbaar moeten zijn. Dat zou de onaantastbaarheid van de schaduw verklaren. En daarmee ook de ongenaakbaarheid.

Alle vragen die het afgelopen jaar opgedoemd waren zouden met deze theorie als dominosteentjes omvallen.  Geen vraag zou onbeantwoord blijven met dit spirituele antwoord dat hij van de bakker gekregen had.

Toch verkeerde hij niet in een euforische stemming. Er zat namelijk een onherstelbare deuk in de theorie. Wanneer een schaduw volledig zou bestaan uit naargeestige eigenschappen die ontstonden door een te lang verblijf in de baarmoeder, zouden slechts mensen een schaduw bezitten. De herinnering aan de theepot liet dus voor de tweede maal een theorie ineenstorten.

Alfons kreeg een glazige blik in z’n ogen. Verteld iedereen me nu onzin? Waarom verteld niemand me de waarheid? Of weet iedereen het antwoord en probeert men het voor mij met deze valse verklaringen verborgen te houden?

Alfons voelde zich moedeloos. Hij stond op van de bonkige tafel,  bedankte de bakker en liep onder de schijn van blijdschap met het antwoord de bakkerij uit. 

Hij strompelde nu voor de derde maal met de steen der teleurstelling in z’n maag over straat. De tranen welde op bij de gedachte dat ieder van de notabelen hem voor de gek hield.

Nee, dat kon beslist niet zo zijn. Men had er geen enkele reden voor om hem zó voor paal te zetten. Men wist het gewoon niet. Niemand had de ultieme en verlossende duidelijkheid over de schaduw. Niettemin verplichtte

Alfons zichzelf zijn methode te voltooien. Er waren immers nog voldoende andere notabelen vindbaar en op z’n minst één daarvan moest het antwoord rijk zijn.  

De eerst komende weken ging Alfons ze allemaal af: de notaris, de slager, zijn buurman, de leraren, de arts, de buurman van de arts, de burgemeester, de politiechef en de leden van de vakbond.

Niemand kon een eenduidige verklaring geven over de ongenaakbaarheid van de schaduw. Ieder van de notabelen gaf wel daadwerkelijk een antwoord, maar geen een baseerde hun reactie op juiste kennis. Antwoorden kwamen slechts voort uit hun arrogante houding, die niet toe liet dat een volks joch hen een vraag stelde die hun kennis te boven ging. 

Na sommige confrontaties was Alfons haast hysterisch van wanhoop, maar de energie om hysterisch te worden trok gaandeweg uit Alfons weg. Hij kon het zichtbaar maken van emoties amper nog opbrengen en moest zichzelf verplichten de laatste notabelen te bezoeken.

Hoewel hij zonder enige verwachtingen de confrontaties aanging stelde het hem toch telkens teleur. Het gevoel van onbehagen vrat aan hem en elke nieuwe teleurstelling was een nieuwe messteek in zijn enorm afgezwakt lichaam.

Het zelfvertrouwen was uit zijn slenterpas verdwenen. Zijn ogen lagen dieper  in zijn schedel dan voorheen en de diepe rimpels op zijn gezicht wierpen steeds grotere schaduwen over z’n gezicht. De schaduwen tekende zich duidelijk af op het bleke gezicht van Alfons. Langzaam bewogen de schaduwen zich steeds dichter naar elkaar toe.

De nacht viel in. Voor Alfons’ ogen veranderde de hele wereld in één grote dans der schaduwen.

De kracht om te blijven staan, om door te blijven gaan, ontbrak. Tegen een muur in een donkere straat zakte Alfons langzaam naar de grond. Zittend op de harde keien genoot hij nog één maal van de schitterend lange schaduwen die de ondergaande zon veroorzaakte. Toen sloot hij  z’n ogen.

Maar dood was hij nog niet. 

Zijn lijdensweg duurde nog welgeteld vier uren.

In die enkele uren zweefde hij nog rond in z’n gedachtes en mijmeringen. Hij had alle informatie meende hij. Alle ingrediënten voor het juiste antwoord zaten in zijn hoofd. Was er wel een antwoord? 

Uiteindelijk, met zijn laatste krachten, mompelde hij een laatste, alles omvattende stelling:

 ‘De schaduw laat zich niet vangen.’

Het uitspreken van het laatste woord van de stelling viel exact samen met het laatste greintje licht dat de zon scheen voordat het volledige nacht was. Bij de toevallige samensmelting van die twee gebeurtenissen gebeurde er nog iets merkwaardigs.

Uit de schaduw van het hoopje Alfons dat tegen de muur lag stapte de Dood. De Dood heeft zijn spel gespeeld. Hij stapte over in de schaduw van de huizen en al het andere wat in schaduwen gehuld gaat in de nacht.  Want de Dood is overal en loopt je hele leven achter je aan in je schaduw.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *