Meld je aan voor de nieuwsbrief

Fritz wist verdomd goed dat hij niet moest sollen met Kaldewijn wanneer het water nader zou komen. Toch is verleiding een groot wapen wanneer het tegen je gebruikt wordt. 


Het einde van de langspeelplaat was nog niet bereikt, maar Fritz haalde de naald er wel al van af. De snelheid waarmee hij dat deed verontruste Kaldewijn, die even opkeek van haar boek. 

Fritz beantwoorde haar blik met een traag uitgesproken ‘Het is vrijdag’.  Nog veel trager rookte hij zijn sigaar op om vervolgens met ogenschijnlijk de zelfde traagheid naar het midden van de ruimte te lopen en het peertje uit de los hangende fitting te draaien.


Hoewel ze wist dat Fritz niet van hoofddeksels hield, had Kaldewijn er toch een aangeschaft voor hem. En hoeveel hij zulke mallotige hoedjes ook verachte, Fritz liep elke zondagmorgen met een hoedje boven op z’n bol.


Op zo’n zondagmorgen liep Fritz altijd in z’n regenpak. Ongeacht de weersvoorspellingen. Anders zouden de schapen hem niet meer herkennen,  meende hij. Zo ook deze zondagmorgen. Fritz stond al buiten, z’n pijp net geactiveerd en zijn regenjas over z’n lichaam getrokken. Op weg naar z’n schapenweitje. Alleen deze morgen gebeurde er iets opmerkelijks.

Het eerste wat Fritz opviel was dat het daadwerkelijk regende, wat er voor zorgde dat schapen die hij verleden week vergeten was te scheren er treurig bijstonden. De regendruppels bleven op hun vettige vacht liggen.

Het water droop ook  langs z’n eigen lijf. Voor het eerst in zeventien jaar bleek z’n regenpak een beetje de lekken. In de naad onder z’n rechter oksel.

Het gene wat deze zondagmorgen echter het meest van alle andere deed verschillen was het plotseling opdoemen van de gedachte om alle wilgen rondom z’n weitje ruwweg te ontwortelen. 

Na de eerste tien meter van z’n weitje overbrugt te hebben kreeg hij de gedachte voor het eerst. Verbaasd draaide hij zich om. Alsof iemand hem van achteren met deze gedachten belaagd had. Maar er was in al die jaren niemand,  behalve Fritz, in ’t weitje geweest. Zelfs Kaldewijn niet. Traag liep hij verder, zijn laarzen soppend bij elke stap in het natte veld. Even dacht hij weer aan de gedachte van zojuist. Fritz kantelde z’n hoofd zodat hij niet meer naar de grond keek, maar het overzicht had wat er in z’n weitje afspeelde. Aarzelend keek hij alle wilgen stuk voor stuk aan. Het idee om alle wortels naar boven te halen gaf hem een bepaalde rilling waarvan hij niet wist waar hij ‘m plaatsen moest. Het was als het gevoel van spanning, vlak voor een groots moment waarvan je niet weet of het je euforie of drama zal brengen.

Fritz draaide zich om. De schapen hadden hun weg naar hun hok gevonden.  Hij draaide zich nogmaals om.

En daar zag hij iets liggen. Met een nieuwsgierig drafje, doch voor sommigen van ons nog steeds enorm traag, bewoog Fritz zich naar het object. Na een paar meter gelopen te hebben zag hij dat het z’n zakje vers versneden tabak was. Fritz moest even glimlachen: hij had zijn tabak laten vallen onderweg. Die afwijking in z’n zondagmorgen-schapenwei-bezoekje zal wel de aanleiding voor z’n gekke gedachte geweest zijn. 

Beduusd van alle vreemde gebeurtenissen liep Fritz terug naar z’n kot. Een plukje verse tabak kon hij wel gebruiken. 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *