Meld je aan voor de nieuwsbrief

Er is slechts een seizoen dat de nachten in het boerderijtje donkerblauw kan kleuren. De lange, gerekte schaduwen creëren een onregelmatig, geometrisch dekveld over het interieur. De duisterste schaduwen worden in de Herfst nooit zwart. Ze blijven binnen het donkerblauwe spectrum. De maan wordt ook nooit wit in de Herfst. In het Najaar schijnt de maan zo fel te schijnen dat hij zich binnen het zelfde blauwe kleurenpallet als z’n omgeving mengt. Zeer fel maanlicht is lichtblauw van kleur. 

Op het moment dat de maan het felst schijnt, zo rond het middelste nacht uur, reflecteert dat felle maanlicht de opstijgende deeltjes van de rook die Fritz uitblaast. In de koude najaarsnachten zit Fritz dikwijls op het houten bankje naast de voordeur.

Hij staart naar voren. Overziet zijn schapenweidetje, omringd door de wilgen. Hij kijkt naar de blauwe kou die gedurende het seizoen steeds witter wordt. Rustig rookt hij zijn pijp. Hij geniet van de blauwe scheuten die door hem heen snijden. Hij voelt met zijn handen aan zijn voeten: de scherpe randen van zijn houten klompen hebben strepen in zijn blote voeten achter gelaten.

‘Sokken. Hmm, wollen sokken.’ mompelt hij. Hij had sokken aan moeten doen voor dat hij naar buiten ging. Nee, zo werkt het ook weer niet. Zijn buiten-zijn was een vorm van boete doen. Hij moest weg uit de bedstee. Hij had zich verwijderd van het vieze hijgen van Kaldewijn. Een vies soort hijgen dat hem wakker hield in zijn slaap. Iedere nacht, wanneer de Herfst zijn intrede gedaan had werd Fritz wakker van het hijgen. Steevast, twee uren na hij was ingedommeld, werd hij wakker met een vochtig gezicht en het diepe hijgen van Kaldewijn in zijn oor. Hij deed zijn best het te negeren. Hij wilde Kaldewijn heel graag zijn rug toe keren, maar hij was bang dat hij daarmee de lakens van haar af zou trekken.

Fritz bleef dus liggen en kneep zijn ogen enorm hard dicht. Een uiterst nutteloze actie wanneer je toch al niets ziet en je lasten zich beperken tot het aurale. Maar een mens is tot gekke dingen in staat.

Wanneer men Fritz in deze houding zou bevriezen en volledig zou isoleren zou een men een uiterst merkwaardig standbeeld van hem kunnen creëren. Een bejaarde man met al het hangend vel van dien, een samengeperst gezicht en al zijn ledematen bijeengeknepen in een uitermate krampachtige foetushouding.

Niet alleen voor ons zou dat een heel raar standbeeld zijn, bij Fritz kwam die realisatie ook binnen. Langzaam draaide hij zich onder de dekens vandaan. Hij keek even of Kadewijn reageerde, maar het vreselijke hijgen hield een constante tred aan.

Fritz zat nu met zijn benen over de rand van hun bedstee. Hij staarde naar de simpele houten eettafel met de twee stoelen die er bij hoorden. Het tafelblad bevatte talloze krassen. En dat was maar mooi ook, want laten we eerlijk zijn: één kras op een oude tafel is vandalisme, maar duizend krassen op een oude tafel is nostalgie. En zo was dat ook.

Fritz zuchtte. Hij keek naar het keukenraampje. Het blauwwitte maanlicht wurmde zich door het geborduurde gordijntje naar binnen. Het licht viel op de tafel. Blauw was het hout. De grillige lijnen der krassen: donkerblauw, haast zwart te noemen. Fritz staarde het lijnenspel een tijdje aan. Het waren rechte lijnen en er zaten gekke krommingen in. En hoewel geen van alle een overeenkomstige vorm had waren ze alle producten van ongeluk. Zij het het ongelukkige toeval van een versleepte hoekpunt van een pot, zij het het ongelukkige product van een ferme klap van een vork na een hevige woordenwisseling tussen Fritz en Kaldewijn.

Fritz dreigde gevaarlijk verzeild te raken in het lijnenspel. Hij besloot met een krachtige zwiep uit zijn bed te wippen en het staren te stoppen. Hij stond met zijn blote voeten op de koude keuken vloer. Beheerst liep hij voorbij de keukentafel. Hij wreef met zijn ruwe handen over de nerven en de dalen van het tafelblad. Zijn hand, blauw voortbewegend in het maanlicht.

Hij liep naar de buitendeur. Van de kapstok die naast de deur hangt neemt hij zijn jack. Met dat jack bedekt hij zijn dunne flanellen pyjama. Zijn voeten steekt hij in hij klompen. Dan opent hij de deur en stapt de ijzig blauwe Herfst in.

Met gesloten ogen neemt hij een diepe teug lucht in. Hmm. Hij voelt de lucht aan de binnenkant van zijn longen. Hij opent zijn ogen, draait zich om en ziet Kaldewijn een groter deel van de dekens om haar heen verzamelen. Fritz stapt verder en sluit de deur.

Naast de deur staat een oud, houten bankje, daar gaat hij op zitten. Hij staart voor zich uit. Zijn weidetje staart hij in. Omringd door de oude, ietwat treurige wilgen. Ze vormen samen met de sloot de natuurlijke omheining van zijn schapenwijtje.

Zijn blik verplaatst zich naar onderen. Hij bekijkt de kiezels die het bescheiden terrasje bedekken. Veel steentjes lijken wit, de rest lijkt allerlei verschillende tinten blauw aan te nemen. Geen enkele tint of vorm schijnt het zelfde te zijn. Fritz schudt zijn hoofd. Net als de de krassen in het tafelblad vreest hij verdwaalt te raken in die grote willekeurigheid van de samenstelling.

Hij beweegt zijn hand naar het borstzakje van zijn jack en neemt daar een zakje tabak en zijn pijp uit. Loom, maar met een hand vol vakkunde vult hij het pijpje met tabak. Wanneer zijn pijpje vol zit, verzegelt hij het zakje tabak weer en stopt die vervolgens weer in zijn borstzakje. Hmm. Een vuurtje.

Zijn lichaam kraakt even als hij zijn romp richting de deur draait. Met een lichte zucht staat hij op en opent hij de deur. Hij zet hem op een kier. Zijn andere arm vindt zijn weg door die kier en zoekt op de tast naar een doosje lucifers.

Er liggen meerdere voorwerpen op het krappe aanrechtje; Fritz’ hand rommelt er doorheen. Plots hoort hij Kaldewijns stem: ’Fritz, ik krijg het koud. Doe die deur eens dicht en stop met dat rommelen, ik wil graag slapen.’ Fritz’ ogen sperde. Verdorie, ze was er wakker van geworden. Potverdorie, ze durfde te klagen over haar slaap! Fritz trok de deur open.

Het maanlicht assisteerde hem nu volop met het vinden van zijn vuurtje. Hij zag het doosje liggen en griste er naar. Vlug trok hij zich terug en sloot de deur achter zich. ‘Christus, ze durfde te klagen over haar slaap.’ Dat, terwijl hij nachtenlang geen slaap vatten kon. Hij stopte zijn pijpje in zijn mond. Hmm. De geur van het verse tabak bevond zich nu dicht bij zijn neus. Hij snoof eens diep. Lekker. Deze geur kalmeerde hem wat. Nee, Kaldewijn had nooit zo een goed zicht op de gehele situatie. Je moest haar altijd dingen uitleggen.

Zou ze dan werkelijk niet in de gaten hebben dat ze hem iedere nacht uit zijn slaap houdt? Fritz haalde een lucifer uit het doosje. Hij wreef het dunne stokje tegen het doosje aan, maar de lucifer brak. ‘Verdomme, verdomme. Wat een nacht,’ dacht Fritz, ‘Podverdomme, wat een nacht.’ Hij ontnam een tweede lucifer van het doosje. Weer wreef hij hem langs het doosje. Ditmaal ontstond er een fel oranje vlammetje aan het einde van het stokje. Hij hield het bij zijn tabakreservoir. Het tabak begon het te gloeien. Een helder rode gloed te midden van de blauwe Herfst nacht, begon te gloeien.

Uiteindelijk hield Kaldewijn er natuurlijk ook geen slechte bedoelingen op na. En bovendien wilde Fritz en Kaldewijn beiden het zelfde in de nacht: slapen. Dit realiserende, rookte Fritz tevreden zijn pijpje.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *