Meld je aan voor de nieuwsbrief

De aanvang van dit verhaal vindt plaats op een brocante markt in het zuiden van het land. Tijdens een van de minder fijne dagen van de zomer. Het is een van de dagen dat het gros van de ouderen besluit binnen te blijven, om de hitte te ontwijken. Toch brak het weer het spel niet voor verkopers op de markt, want de opkomst was hoog als altijd. Onder de ouderen die zich toch buiten waagden waren Jos en Mieke rond elf uur in de ochtend gearriveerd. Volgens brocante- fanatici ben je dan al te laat om de beste artikelen te vinden, maar Jos en Mieke vermaakten zich nog prima. Langzaam slofte ze naast wat kraampjes. Hoewel ze weinig kochten op zulke markten waren Jos en Mieke toch geregeld als bezoekers aanwezig. Het was Jos die wat voor uit slofte Mieke uit. Hij hield z’n handen op z’n rug, waardoor zijn rug wat kromde en hij zijn hoofd wat vooruit kon duwen. Volgens hem kon hij de voorwerpen dan beter bekijken, volgens Mieke deed hij het slechts om interessant over te komen op het resterende publiek. Zo nu en dan bleef Jos dan wat langer staan bij een kraampje. Dan boog hij nog dieper voorover en keek hij over zijn brilletje naar een voorwerp dat hem interessant oogde. Hij deed dit precies op de juiste manier om de aandacht van de verkoper te genereren en zo ontstond er dan vaak een aardig gesprekje, waarin Jos zijn kennis over brocante en overige historie ten toon kon spreiden. Volgens Mieke was dit de grootste reden voor Jos om deze markten te bezoeken. Mieke volgde hem op zijn tochten over de markten, altijd achter hem aan sloffend. Aan de gesprekken met de verkopers deed ze niet mee. Zij was immers nooit gaan studeren. Zij had geen kennis van barok of de Jugendstil.

En toch genoot ze van de tochten. De sfeer die er heerste, de geuren van voorwerpen die hun functiedagen erop hadden zitten, de mensenmassa waar ze helemaal in op kon gaan zonder dat iemand haar aansprak. Ze genoot. Ze had ook het gevoel dat ze wat op schoot van de tochten, want hoewel Jos soms wat neerbuigend deed over haar kennis van kunsthistorie, was hij nooit beroerd om zijn kennis te laten blijken tijdens een nauwgezette uitleg over een voorwerpen die hij die dag gezien had. Door die toelichtingen had ze naar eigenzeggen haar kennis al heel aardig bijgespijkerd. 

Op deze, eerder besproken, hete zomerdag waren Jos en Mieke al ruim twee uren aan het schuifelen over de markt. Aangespoord door het drukkende gevoel dat de hitte en drukte op de markt veroorzaakte voelde Mieke de noodzaak om eventjes te gaan zitten en wat te drinken. Ze hoopte dat Jos er het zelfde overdacht, of op z’n minst even aan haar gesteldheid dacht. Maar hij kon zich niet omdraaien in de menigte dus kon hij haar situatie ook niet inschatten. Ze nam het maar voor lief. Ze wist dat ze dit soort momenten moest doorstaan op markten. Jos kon nu eenmaal helemaal opgaan in deze materie en die momenten gunde ze hem dan ook. Nu liep ze achter hem aan door de menigte. Ze keek naar beneden en focuste zich op de voeten van Jos. Die moest ze blijven volgen. Ze zag zo veel andere schoenen van mannen en vrouwen naast die van hem flitsen, maar slechts de zijne bleven scherp in haar focus. Zelf hoefde ze niet naar de kraampjes te kijken of naar wat daar uitgestald stond want ze wist dat Jos dat deed voor haar. Jos volgen was voldoende op zo een dag. En ja, daar merkte ze een lichte versnelling op in zijn tred. Van binnen glimlachte Mieke, want ze wist dat Jos iets gezien had bij een kraampje dat zijn aandacht getrokken had. Ze volgende hem in het zelfde tempo en spoedig stonden ze voor een kraampje met oude eikenhouten koekoeksklokken. Jos bleef even staan, hij zag dat de verkoper in gesprek was met de man die naast Jos stond. Jos bekeek een aantal klokken, maar Mieke zag dat zijn focus voornamelijk bij het gesprek van de verkoper lag. Pas toen Jos vanuit zijn ooghoeken zag dat dat gesprek ten einde liep boog hij voorover. Mieke had dit trucje nu al talloze keren gezien en het verbaasde haar dan ook niet dat de verkoper Jos direct aansprak. 

‘Zo, mijnheer. U bekijkt daar een heel mooi stukje vakwerk. Is meneer  een beetje thuis in de klokken?’

Dat was de een lekkere opening voor Jos. Hij reageerde met gepaste bescheidenheid.

‘Nou ja, ‘thuis zijn’ ‘thuis zijn’, dat is misschien een groot woord maar ik weet er wel het een en ander van af ja.’

‘Ja, nou, ik zag u al kijken meneer en ik zag het meteen: die man heeft verstand van klokken. Die laat z’n oog direct vallen op het pareltje van de kraam. Dit is een heel apart geval, het heeft de behuizing van een Marie & Cie, mooi eikenhout met stukjes ebbenhout ingelegd, hier op de zijkanten. Ziet u dat? Dat is vakwerk. Puur vakwerk. Een genot voor het oog, al zeg ik het zelf natuurlijk en is het esthetische waardeoordeel natuurlijk volledig van de persoon afhankelijk.’ 

‘Hmm, ja Marie & Cie, dat meende ik al te herkennen ja. Fraai stukje inlegwerk ja, dat zie je alleen bij echte topklokken.’ Reageerde Jos. ‘En het mechanisme, is dat ook Marie & Cie?’

‘Neenee, Marie & Cie maken geen mechanismes, slechts behuizingen. Maar ze werken veel samen Sölcher Jäckel, het befaamde klokkenmerk uit Zwitserland, die hebben ook dit mechanisme gemaakt. Wilt u het even zien? Het is een mooie hoor, om uw vingers bij af te likken, als u er enige waardering voor heeft natuurlijk.’

‘Oh, ja, een goede klok verdient veel waardering. Zeker. U zegt niets wat als misplaatst opgevat zou kunnen worden.’ ‘Een Sölcher Jäckel wil ik altijd wel even van dichtbij bekijken. Dat zou deze klok wel iets extra’s geven ja.  Zeg Mieke, hebben wij ook geen Sölcher Jäckel in de woonkamer hangen? Tegen over die Marie & Cie? Ja, toch zeker?’ Jos draaide zich kortstondig om naar Mieke en de verkoper keek ook even op terwijl hij de klok openmaakte. Mieke keek hen aarzelend aan en was blij toen Jos vrij snel het gesprek weer doorzette. ‘Ja, dat is een Sölcher Jäckel, zonder meer. Ik heb het certificaat er nog bij zitten, dat moet ik nog ergens hebben liggen. Ja, nee dat is onmiskenbaar een Sölcher Jäckel.’

‘Ziet u wel,’ reageerde de verkoper enthousiast, ‘ik wist wel dat ik met een liefhebber te maken had.’ Als verkoper zie je heel snel wie er leek is en wie de kennis bezit. Heerlijk. Nu kijk, ziet u dit?’ Hij wees een drietal kleine fel glinsterende tandwielen aan in het midden van het mechanisme.  ‘Dit is dus wat deze Sölcher Jäckel zo uniek maakt, want hoewel deze klok al in 1879 vervaardigd is, zijn de tandwielen nog nooit vervangen. Dat kunt u teruglezen in het certificaat wat u uiteraard bij de aankoop krijgt. Deze kleine tandwielen, de radius-cortex, bestaan volledig uit diamant en hebben geenszins iets geleden in die ruime honderdjaar van tikken. Ze glinsteren zelfs nog! Nou, dat is dat expertise, wanneer je zoiets in elkaar kan zetten.’ 

‘Inderdaad, wonderbaarlijk. Zeer schoon. Zo maken ze ze tegenwoordig niet meer, dat zeg ik.’

De verkoper klapte het luikje van het klokje weer dicht en draaide zich om, om wat in zijn klapper te bladeren. Hij haalde er een tweetal vellen uit en legde die naast de klok. ‘Hier, dit eerste vel is van de klok. Daar kunt u op zien dat de tandwielen inderdaad nog nooit vervangen zijn en dus nog origineel zijn. Hier ziet u ook nog de handtekening van meneer Jäckel zelfs, wat dus wil zeggen dat hij zijn persoonlijke verantwoordelijkheid er over uitgesproken heeft. Een mooi extraatje zou ik zeggen.’ De verkoper praatte snel en schoof het certificaat van het tweede blad af. ‘Hier ziet u een optelsom van alle unieke facetten van deze klok en daar onder rolt dan een mooie prijs uit. U als klokkenkenner weet dat dat geen groot bedrag is voor deze klok.’

Dit was het moment dat Jos met een reden moest komen om niet over te gaan tot koop. Zo eindigde vrijwel elk gesprek op de markten wist Mieke. Meestal had Jos die reden halverwege het gesprek al bedacht, want hij stond niet graag met zijn mond vol tanden en zeker niet wanneer het geldzaken betreft. 

‘Oh het is een zeer mooie klok meneer, maar zoals ik eerder al vertelde hebben we reeds een Sölcher Jäckel én een Marie & Cie in huis hangen, dus voorlopig zijn we wel verzadigd wat klokken betreft.’

Dat was een mooie vond Mieke. Hij had de klokken die ze zogenaamd thuis hadden hangen inderdaad al een keer genoemd. Waarschijnlijk had hij dit einde van het gesprek toen al voorzien.

De verkoper was niet van plan het daarbij te laten en trok zijn mond alweer open, maar nu was Jos hem voor: ‘Wij gaan maar weer eens verder. Zeg, het was bijzonder aardig weer eens met andere klokkenliefhebbers te converseren. Dag en dank!’ en Jos draaide zich om. Mieke keek nog even naar de verkoper maar die richtte zich alweer op de volgende klant. En dus richtte Mieke zich weer op de hakken van haar man terwijl ze weer een weg trachtte te banen door het publiek.

Zo bracht het oudere stel een aantal uren door op de markt. Telkens het zelfde patroon: Jos liep voorop en Mieke die hem als een schaduw volgde. Zo sjokte ze rond en zo nu en dan, wanneer Jos de tijd rijp achtte werd er een gesprek met een verkoopman aangeknoopt. Al die tijd vroeg Jos geen enkel maal hoe het er met Miekes gesteldheid voor stond en al die tijd zei Mieke niets over hoe het er met haar gesteldheid voor stond. Ze had natuurlijk wel kunnen klagen over de pijn die langzaam in haar gewrichten begon te sluipen en over de dorst de al een tijdje ervaarde, maar daar was ze het type niet voor. Daarbij kwam dat het veel te druk was op de markt om Jos halt te roepen en hem aan te spreken. Nee, dan was de kans dat ze elkaar uit het oog zouden verliezen. Veel beter kon ze zo dicht mogelijk achter hem aan blijven lopen. Dan kon er niets mis gaan. 

Rond de klok van twee uur nam de drukte wat af en dat gaf Jos de mogelijkheid zich om te draaien en zich tot Mieke te wenden.

‘Zeg, schat, wat een heerlijke markt, vind je niet?’ sprak hij, met een uitgesproken vrolijkheid die aan z’n hele lichaam te merken was. Fier stond hij hier te midden van alle kraampjes en al het andere publiek. Hij had zijn rug gerecht en keek zelfvoldaan om zich heen, alsof hij de trotse organisator van de markt was en zag dat alles goed ging. Hij nam zijn petje af en veegde er mee over zijn voorhoofd, want tijdens dit moment van rust realiseerde hij zich dat hij wat was gaan zweten. Het was dan ook niet niets wat hij klaarspeelde op zo’n markt: hij moest zijn zintuigen constant openhouden en alert zijn bij ieder kraampje. Daarbij kwam nog dat de afstand die hij aflegde op zo’n markt voor iemand met een lichaam van zijn leeftijd en omvang toch wel bewonderenswaardig geacht mocht worden, vond hij. 

Mieke stond in deze positie dus recht tegenover Jos en ze sloeg hem gade terwijl hij het zweet van z’n rode bolle gezicht veegde. Ze zag hem denken met de kin ietwat omhoog geschoven.  Het was een trotse man en zij was trots dat ze zich aan zijn zijde mocht scharen. Met omhooggestoken kin keek Jos nu ietwat vluchtig om zich heen. Wanneer hij slanker was geweest en zijn neus van een groter formaat zou zijn had men zijn gezicht met een adelaar die schichtig om zich heen kijkt opzoek naar een prooi kunnen vergelijken, maar Jos was nu eenmaal ietwat gezet en dus maakte niemand deze vergelijking. 

Mieke zag dat er een scheiding over het voorhoofd van haar man liep. Onder die scheiding was zijn gezicht rood aangelopen en boven de scheiding, waar de pet zich de hele morgen bevonden had, was zijn huid aanzienlijk witter gekleurd. Had ze hem vanmorgen ingesmeerd? Mieke kon het niet met zekerheid zeggen, maar ze hoopte van wel. Gelukkig zette Jos zijn pet weer op zijn hoofd, zodat niemand de gekke scheiding op zou vallen.  

Het opzetten van zijn pet was een handeling die met enige zorg uitgevoerd werd, want Jos meende dat zijn haren eerst op de juiste manier naar achter gestreken dienden te worden alvorens hij de pet plaatste. Mieke vond dat overbodig want Jos bezat weinig haren meer. Maar de enkele grijze met vet ingesmeerde slierten waar Jos nog eigenaar van was werden door hem wel gekoesterd. 

‘Ik ben weer klaar voor nog een rondje Miek.’ Zei hij nadat zijn pet en haren weer gefatsoeneerd waren. ‘Maar eerst zou ik wel wat te drinken lusten. Je kan je voorstellen dat ik dorstig ben geworden van al dat geraisonneer met die verkooplui hier. En mijn gewrichten voel ik ook wel een beetje hoor, dus als je het niet erg vind ga ik daar onder dat parasolletje zitten en lust ik wel een lekker fris watertje. Zou je dat voor me kunnen halen Mieke? Dat lijkt me erg fijn.’

En Jos draaide zich weer om, om zich naar het stoeltje onder het parasolletje te begeven. 

Mieke keek even om zich heen. Ze moest een drinktentje zoeken. Langzaam draaide ze een rondje om haar fysieke middenas, telkens iedere richting inspecterend naar een signaal van een verkoopplaats voor drinken. Nadat ze die bij het eerste rondje niet vond, draaide ze nog een rondje. Dit maal de andere richting op. Maar wederom vond ze geen aanknopingspunt. Ze wilde Jos niet teleurstellen en zeker niet te lang laten wachten: ze besloot zich naar de ingang van de markt te werken. Daar zou ze wellicht wel wat te drinken kunnen vinden. Daar liep ze dan, in haar eentje over een brocante markt in het zuiden van ons land. ‘Hey, dit is de eerste keer dat ik alléén over een markt loopt’ realiseerde ze zich. En ook voor het eerst in al die jaren hief ze haar hoofd op tijdens een marktbezoek. Haar ogen richtten zich niet meer op de grond, want ze hoefden de hakken van Jos’ schoenen niet meer te volgen. Ze vertraagde haar tred nu wat. Ze gaf zichzelf de tijd om even wat rond te kijken. ‘Hmm, misschien verkoopt één van de brocante verkopers ook wel wat te drinken.’ Bedacht ze zich. ‘Ja, dat zou toch niet zo raar zijn, met dit weer? Iedere geboren handelsman zou zich moeten realiseren dat drank een gewild goed is met deze temperaturen en dus goed verkoopbaar.’ En dus besloot Mieke zich van het midden van het looppad naar de zijkant te begeven en langs de kraampjes naar de ingang van de markt toe te werkten. Het eerste kraampje dat ze tegenkwam toen ze ingevoegd was in de rij aandachtige toeschouwers die langs de kraampjes schuifelde, was een kraampje dat oud wapentuig aanbood. Ze keek vluchtig over het aangeboden waar een, maar zag nergens flesjes water staan noch zag een ze een bordje dat aan zou kunnen duiden dat die bij dit kraampje verkocht werden. En dus volgde ze de stroom van mensen die haar naar het volgende kraampje dreef. Daar lagen een stel zeer oude en daarbij ook zeer prijzige flessen Franse wijn uitgestald. Dat was weliswaar drinkbaar, maar niet geschikt voor de snelle verfrissing die Jos en Mieke nodig hadden. Het daaropvolgende kraampje verkocht aardewerk dat er zó droog uit zag dat Mieke niet het idee had dat er ergens bij het kraampje vocht te verkrijgen was en dus liep ze ook dit kraampje voorbij. Op deze manier schuifelde ze elk kraampje voorbij maar zonder veel succes. Vanuit haar ooghoek zag ze dat dat de kraampjes bijna op waren en ze had nog steeds geen water kunnen vinden. Mieke moest eerlijk toegeven dat dat eerste haar meer verontrustte dan dat tweede. Ze ondervond namelijk een bepaalde mate van plezier aan het schuifelen langs de kraampjes. Dit plezier was een openbaring voor haar want, zoals bekend, zag ze doorgaans slechts Jos’ hakken wanneer ze zich op een markt bevond. Ze besloot de resterende kraampjes dan maar extra langzaam voorbij te gaan om zo nog zo lang mogelijk te genieten. En zo was ze toeschouwer van 19de-eeuws Frans glaswerkkunst, Afrikaanse beelden uit de koloniale tijd en gedroogde bloemen uit alle delen van de wereld. Dat laatste kraampje sprak Mieke erg aan. Het was er niet heel erg druk en Mieke vond dat ze zichzelf wel wat meer tijd mocht gunnen bij dit kraampje. Een tikkeltje onzeker bleef ze staan voor het kraampje. Ze wist niet zo heel goed waar ze haar handen laten moest, ze zochten een houding waar ze een tijdje in konden verblijven. Mieke zette haar handen wat krampachtig in haar zij, maar meende toch dat het beter was om ze daar niet te laten staan en greep een klapper met Zuid-Aziatische bloemen en bladerde hier langzaam doorheen. Waar ze niet bij nagedacht had, maar desondanks zeker had moeten weten, is dat dat het geluid van een omslaande bladzijde van die klapper, hoe zacht het ook is, voldoende is voor een verkoper om als het ware een aasgier z’n nek om te klappen en met wijd opengesperde ogen Mieke aan te kijken. Vanaf nu was ze een potentiële klant. ‘Mevrouwtje mevrouwtje zo, zo, dat zijn mooie bloemen, niet?’ 

‘Uhm, ja, inderdaad: mooi.’ Stamelde Mieke. Ze durfde de verkoper amper aan te kijken. ‘Waarom spreken ze iedereen altijd aan? Ik zit hier helemaal niet op te wachten,’ dacht Mieke, ‘als iemand iets wil kopen kan die de verkoper zelf toch ook wel aanspreken?’ 

‘Deze komen dus uit Zuid-Azië, zoals u naar alle waarschijnlijkheid al op de kaft van de klapper heeft zien staan. Je ziet haast niet dat ze gedroogd zijn hé?’

De verkoper nam de klapper uit Mieke’s handen en begon wat bladzijdes om te slaan. 

‘Hier ziet u bijvoorbeeld deze Acoisitouisse? Die is in de 16de eeuw door Charles de Montagne mee genomen van het toenmalige Ceylon, nu beter bekend als Sri Lanka, toen hij daar zijn wereldberoemde studie naar de kleurverschillen in bloemen onder verschillende omstandigheden. Dat is natuurlijk al een pracht van een verhaal bij deze bloem, mocht u ‘m willen kopen, maar de werkelijke schoonheid ervan zit ‘m niet in het achtergrondverhaal, maar in de kleur zelf. De overgangen van het turquoise van de kelkbladeren naar het diepe oceaanblauwe van de kroonbladeren. Schitterend. Ik zelf vergelijk het kijken in deze Acoisitouisse altijd met het staren in de Marianentrog: het kent een bepaalde diepte waarvan je weet dat je er in verdrinkt voordat je de bodem raakt.’

De verkoper vertelde vol enthousiasme en Mieke kreeg het vermoeden dat hij op deze manier nog uren door kon gaan. Haar vrees dreigde werkelijkheid te worden toen ze zag dat de verkoper de bladzijde waar de Acoisitouisse op gespeld zat omsloeg en er drie kleine rode bloemetjes te voorschijn kwamen. Er verschenen alweer lichtjes in de ogen van de verkoper en zijn onderkaak bewoog al naar beneden toen hij door een zeer plotselinge beweging met z’n nek in een keer naar rechts van Mieke keek. Daar was zojuist een ietwat gezette man van middelbare leeftijd komen te staan die een vaas met een dood boeket vast gegrepen had en deze op een ietwat lompe manier door zijn handen liet gaan. De verkoper snelde naar de man toen en begon met een verhaal van een zelfde omvang als het verhaal dat Mieke zojuist te horen gekregen had. Dit was voor Mieke een uitgelezen mogelijkheid om langzaam weg te sluipen en haar tocht langs de kraampjes voort te zetten. Voortaan zou ze beter opletten met het staren en aanraken van verkoopbare objecten. Ze had nog maar twee kraampjes te gaan en in de eerste lagen allerlei oude boeken waarvan de kaften met leer bedekt waren en met titels in gotische letters erop aangebracht. Deze boeken verdienden haar interesse niet, maar doordat het het op één na laatste kraampje was, gaf ze haar ogen toch de kost en zorgde ze ervoor dat ze de titels van alle boeken van de ruggen gelezen had alvorens ze doorliep naar het laatste kraampje waar schilderijen te kijk lagen. In het midden stond op een schildersezel een groot impressionistisch doek tentoongesteld. Het vertoonde een strandlandschap met een aantal strandgangers. Het was een erg levendig schilderij met prachtige lichtwerking van de zon en weerkaatsingen op het wateroppervlak. Ze kon de zilte zeewind bijna voelen, ze meende dat ze zelfs bijna het zout ruiken kon. Ze beleefde het schilderij zeer intens. Ineens schrok ze op uit haar extase, ze realiseerde zich dat ze niet te lang moest staan staren, wilde ze aan de aandacht van de verkoper ontsnappen.

Toch was dat bij dit kraampje niet nodig. Iedere andere verkoper had Mieke al tien keer aangesproken tijdens haar extase. Deze verkoper lag echter onderuitgezakt in zijn stoeltje en zijn gezicht ging schuil onder de schaduw van de rand van zijn hoed. Hij sprak geen woord en deed ook geen aanstalten om op te staan om naar Mieke te gaan. Hij bleef zitten op zijn stoel en staarde haar met een mysterieuze blik aan. Dit zou als ongemakkelijk ervaren kunnen worden door veel mensen, maar Mieke vond dit vele malen prettiger dan alle opdringerige verkopers die ze tot op heden ontmoet had. Rustig en op haar gemak bekeek ze nevenstaande schilderijtjes. Ze waren alle kleiner van formaat dan het grote doek in het midden. Maar geen van alle verloor daarbij aan intensiteit. Mieke droomde bij ieder schilderij weg en had niet in de gaten dat de verkoopman uit zijn stoel was op gestaan en nu tegenover haar stond achter zijn kraampje. Toen ze uit haar droompje ontwaakte deed ze dat op een rustige manier. Waar ze van het grote schilderij ruw ontwaakte doordat ze het koude water van de realiteit over haar heen kreeg na het warme bad van de droom, was het nu alsof ze vanuit het warme bad der dromen overgoten werd door een lauwe olieachtige substantie die voor de haar nieuwe realiteit stond. Die verandering van atmosfeer werd gecreëerd door de aanwezigheid van de mysterieuze verkoopman die nu zo plots dicht bij haar stond. Hij sprak nog steeds geen woord. Hij stond er slechts. De man was omring met een aangename geur die bestond uit een mengeling van een duistere parfum en een zware tabaksgeur.

Mieke had het aparte gevoel dat ze zich ongemakkelijk moest voelen, terwijl ze dat niet deed. Ze keek hem recht in de ogen aan en nog steeds voelde ze zich op haar gemak. Volledig buiten zich zelf begon ze vragen te stellen over de schilderijtjes. Ze had geen idee waar die vragen, of het lef om ze te stellen vandaan kwamen, maar ze ging maar door. En de verkoper stond er nog steeds op dezelfde wijze bij. Hij wachtte tot ze uitgesproken was en haalde toen diep adem. Toen zei hij: ‘Al je vragen kennen antwoorden, maar je kan je beter afvragen waar de oorsprong van je vragen ligt.’

Mieke was even van haar stuk gebracht. Ze begreep niet wat man bedoelde en misschien was ze ook een beetje verontwaardigd dat, nu de man sprak, hij geen antwoord gaf op haar vragen. Juist nu ze eens niet belemmerd werd door onzeker- en verlegenheid, kreeg ze geen antwoorden terug. Daar stond ze dan. Volledig van haar stuk. Het ene moment was ze een, voor haar ongekende, spraakwaterval en nu stond ze weer met haar mond vol tanden. Ze probeerde woorden langs haar stembanden te persen, maar ze kreeg de lucht niet aan het trillen. Ze staarde de verkoper vol ongeloof en een beetje krampachtig aan. Wat moest ze doen?

De verkoper bleef volkomen kalm en handelde alsof hij dit alles voorzien had. 

Bijna zonder zijn blik van haar af te halen haalde hij een klein schilderijtje onder de tafel van het kraampje vandaan en draaide het doek voorzichtig naar Mieke toe. Het was een vrij duister schilderijtje waarop een rotspartij aan een waterzijde in de schemering afgebeeld stond. Op het zacht geschilderde water en de harde steenpartijen lagen duizenden ogenschijnlijk in elkaar opgaande pareltjes te schitteren, veroorzaakt door een niet afgebeelde lichtbron. Voor het gemak wordt uitgegaan van de maan als lichtbron, want het schilderij bezat niet de warmte die men verwachten zou van een zonsondergang. Nee, dit kille licht moest veel eerder van de maan afkomstig zijn. U kunt zich voorstellen dat dit duistere kille, met schitteringen gevulde indruk maakte die als een bom insloeg op Mieke. Te midden de zwoele, gekleurde, beweeglijke schilderijen waar ze een tal minuten geleden nog bij wegdroomde was dit een heuse zwarte parel in een kist vol goud. 

‘Mevrouw, ik zie dat u op de juiste manier kennis heeft gemaakt met ‘De Stenen Maaltijd’ van Moillieu. Ik zie de magie in uw ogen weerspiegelen. U bent de juiste nieuwe eigenaar van dit waarachtige meesterwerkje. U moet weten dat Moillieu de meest talentvolle impressionist was die bovendien op alle acht de impressionistische tentoonstellingen had gestaan zou hebben met zijn werken, wil het niet dat de andere impressionisten hem ruïneerden. Monet en Renoir waren namelijk bang om aan aanzien in te boeten als Moillieu’s talent bekend zou worden. Het is namelijk zo gegaan dat Monet en Renoir, in hun rug gesteund door Degas, Manet en Sisley die ook bang waren voor het ontzaglijke talent van Moillieu, bepaalden dat Moillieu nooit deel mocht nemen aan hun tentoonstellingen. Wetend dat Moillieu’s werk, evenals hun eigen werk, nooit geaccepteerd zou worden door de Salon, door het revolutionaire karakter ervan, ontnamen ze hem dus zijn enige ander podium om zijn talent te etaleren. Immers, tentoonstellingen waren de enige plek om in contact te komen met publiek; recensenten , kunsthandelaren en particuliere kopers. Hij probeerde zijn werk nog direct aan kunsthandelaren te verkopen, maar die zagen er natuurlijk geen brood in. Want zonder door de Salon geaccepteerd te worden, of zelfs zonder deel genomen te hebben aan de opstandige impressionistische tentoonstellingen was er natuurlijk ook geen publiek aanspreekbaar voor kunsthandelaren om Moillieu’s werk aan te verkopen. En dan maakte het niet uit of ze het talent herkende, of ze de ambacht op de juiste manier wisten te beoordelen. Voor kunsthandelaren geldt in zo een geval namelijk slechts één regel: koop alleen werk dat verkoopbaar is. 

U zult wel inzien dat het trucje wat de impressionisten Moillieu flikte de nekslag was voor zijn carrière. Op deze manier doofde het vuur van het grootste impressionistische talent dat Frankrijk ooit heeft voortgebracht. Dat neemt niet weg dat we nu alweer bijna twee eeuwen verder zijn en mensen zoals u en ik zijn talent nu volledig op waarde weten te schatten. Ik herkende de magie in uw ogen direct toen ik u het schilderijtje liet zien, dat is precies wat ik ook ervoer. Deze schilder weet een soort magische laag over zijn penseelstreken te leggen, een laag die je diepte laat ervaren en laat huiveren. Zoals Nietzsche al zei: ‘Als je in een afgrond kijkt, dan kijkt de afgrond ook in jou.’ En dat is precies wat dit schilderij met je doet. Het kijkt in je. In dit schilderij ligt de oorsprong van al je vragen. En ik weet dat je met vele vragen zit die je niet durft te stellen mevrouw. Daarom weet ik dat dit schilderij u toebehoort. Ik wil dat u het van me overneemt.’

Mieke had het hele verhaal gehoord als in een roes, maar ze herinnerde ieder los woord er van. Het spookte door haar hoofd, samen met de afbeelding van de rotspartij. Het cirkelde allemaal door haar hoofd en ze meende er even duizelig van te worden. Maar voordat dat gebeurde werd ze weer heel helder. Ze wist wat ze moest doen. Uit haar tasje haalde ze haar cheque boekje en zonder te vragen wat het schilderwerkje nu werkelijk kostte schreef ze een getal op waarvan de ogen van de verkoper op lichtten zoals ze ongetwijfeld zelfs niet gedaan hadden toen ze ‘De Stenen Maaltijd’ voor het eerst zagen. Mieke zette haar handtekening neer, scheurde de cheque uit het boekje en overhandigde dit aan de gretige handen van de verkoopman. Met twee handen namen ze vervolgens het schilderijtje van de man over en met een heerlijk gevoel van voldoening door het veiligstellen van haar zwarte pareltje begaf Mieke zich het pad weer op. Nog veel meer dan dat ze ooit had gedaan liep ze met geheven hoofd door de menigte. Mensen waar ze eerder die morgen nog omheen gelopen was, stapte nu op zij voor haar. Van dorst had ze geen kennis meer en ook de dorst van Jos was ze volledig vergeten. Ze wilde haar meesterlijke aankoop aan Jos laten zien. Dit was haar zwarte parel. Ze was benieuwd of Jos Moillieu überhaupt zou kennen. Want de geschiedenis heeft z’n best gedaan hem in de nevelen der vergetelheid te verhullen. Maar nu zou Mieke degene zijn die Jos wat te vertellen had. Nu kon Jos zich generen dat hij bepaalde kennis niet voorhanden had en Mieke zou vertellen. Ze zou vertellen over de rotstreek van Monet en Renoir, ze zou de quote van Nietzsche er bij halen en praten over de extra laag die Moillieu over zijn penseelstreken scheen gelegd te hebben. Oh het zou een verrukking worden. Tot in de uiterste zenuwuiteinden van haar lichaam voelde ze haar enthousiasme tintelen. Daar zag ze Jos zitten. Hij wapperde met zijn petje wind in zijn gezicht. Het was weliswaar nog steeds behoorlijk warm maar daar trok Mieke zich niets van aan. Ze voelde alleen haar enthousiasme voor het schilderij. En ze zou Jos ook afkoelen met de kille uitstraling van het schilderij. De euforie had Mieke helemaal in zijn macht. Jos zag haar pas op het laatste moment aankomen. Toen ze bijna bij het parasolletje was keek Jos op en zag haar de laatste meters naar hem toe marcheren. Het feit dat ze marcheerde was natuurlijk voor Jos voldoende om achterover van z’n stoeltje te vallen. Maar de overige bijkomstigheden maakte het nóg bonter voor hem. Hij zag haar namelijk met een voldane glimlach op hem afkomen, haar aura ontnomen van angst en onzekerheid. Een ongekende mate van zelfvertrouwen die hij nog nooit bij haar besmeurd had. Daarbij kwam dat, toen hij haar lichaam afzocht naar drankjes, daar bij vooral lettend op haar handen, hij er tot zijn grote ontsteltenis achter kwam dat ze geen drankjes bij zich had. Men moet naast al deze belastende factoren ook niet vergeten dat Jos de hele morgen op de markt niets gedronken had en nu onder het parasolletje al ruim driekwartier in een nauwelijks uitstaanbare warmte zat. Hij zat daar driekwartier, moederziel alleen, te wachten op een lekker, welverdiende verfrissing. Het was zelfs zo dat hij verlangde, ja echt, welhaast smachtte naar een drankje. Zo hoog was zijn nood. En we weten allemaal dat de grootste teleurstellingen komen wanneer ze volgen op grootse verlangens. Nu verwachten veel lezers dat al deze factoren Jos tot een verbale, danwel fysieke ontploffing zullen drijven. Want Jos werd wel echt tot het randje gedreven op deze manier. Maar Jos’ liefde voor Mieke stond een escalatie vooralsnog in de weg. Wil het niet Jos tijdens het scannen van Miekes lichaam in zijn zoektocht naar drank, het schilderwerkje opmerkte dat Mieke zo trots bij zich droeg. De lezers weten dat Jos en Mieke vrijwel nooit iets kopen op markten. Ze zijn bezoekers, geen klanten. En als er iets gekocht wordt, dan is Jos daar verantwoordelijk voor. Hij bezit namelijk de kennis van het materiaal en van zaken. In Jos’ optiek was Mieke er niet bekwaam voor om zulke transacties tot een juist einde te brengen. Hij achtte haar kennis van kunst te gering om alles op waarde te kunnen schatten en daarnaast achtte hij haar zakelijk verstand te bescheiden om het juiste voorwerp voor de juiste prijs te kopen. Hij had ook nooit het idee gehad dat Mieke er enige interesse voor gehad had om iets te kopen of überhaupt ergens interesse voor had op de markt. Ze slofte altijd maar wat achter hem aan. Nooit iets zeggend, laat staan iets vragend. Hij had haar nooit alleen moeten laten. Wat een stommiteit had hij begaan om haar alleen over de markt te laten struinen. Met de simpele ziel die ze had was ze natuurlijk een gewillig slachtoffer voor de verkoopmannetjes met hun slinkse methodes. Verdomme, dit was toch wel ernstig. 

‘Mieke, vertel me niet dat je rotzooi gekocht hebt op deze markt.’

Hij zag Mieke de laatste meters afleggen en zich in het stoeltje naast hem installeren. Ze sloeg haar benen over elkaar heen en staarde zelfvoldaan voor zich uit. De zonnestralen die onder de paraplu door op haar gezicht wisten te vallen leken te weerkaatsen op haar blanke huid: Mieke straalde. Jos mond viel haast open van verontwaarding. Ze negeerde hem volledig, wat een vertoning!

‘Nou, laat een zien wat ze je aangesmeerd hebben, schat. Laat ‘ns kijken.’ 

En toen, als uit een coma ontwaakt, keek Mieke Jos verschikt aan. De arrogantie verdween van haar gezicht en maakte plaats voor een onvoorstelbare enthousiasme. Ze begon het hele verhaal van de verkoper op te ratelen: ‘Dit, kijk,’ en ze draaide de beschilderde zijde van het doek naar Jos toe, zodat hij het bekijken kon, ‘dit is dus een échte Moillieu. Kijk daaronder staat zijn signatuur. Oh, en wat een heerlijke techniek had die man hè. Jos, toch? Kijk eens hoe de donkere kleuren je in de diepte trekken, dat vond Nietzsche ook al. En de parelachtige schijning van de lichtvlekjes. Ja, die Moillieu, dat was nog eens een echte vakman, nietwaar Jos?’

‘Moillieu? Is dat een Fransman?’ vroeg Jos zonder zijn ogen van het schilderij af te halen.

‘Ja, dat was een Fransman, hij is nu dood namelijk. Hij leefde in de tijd van de impressionisten. Sterker nog: hij was een impressionist. De grootste onder alle impressionisten. Je kent hem toch zeker wel?’

‘Moillieu, uhm oh ja zeker ken ik die, ja een aardige impressionist was dat. Jaja, die dronk er nog wel eens eentje samen met Monet en Pissaro in Café Guerbois. Ja, dat waren nog eens maten. Grootste impressionist zeg je? Heeft die verkoper dit werkje onder dat mom aan je verkocht? Jezus Mieke, je ziet toch ook wel dat wanneer handelaren met termen als ‘grootste’ en ‘beste’ gaan smijten, er iets achter zit. Moillieu was alleraardigst, maar niet meer dan dat.’

Mieke glimlachte bij de woorden van Jos. Hij praatte maar wat raak. Moillieu was helemaal niet bevriend met Monet en Pissaro, het waren juist zijn vijanden. ‘Nee, het klopt niet wat je zegt. Moillieu zou nooit iets gaan drinken met Monet en Pissaro. Zij waren juist verantwoordelijk voor zijn ondergang in de kunstwereld.’

Jos fronste, het was duidelijk dat hij nog nooit van Moillieu gehoord had, maar dat weigerde hij natuurlijk toe te geven. ‘Mieke Mieke toch, vertelde die verkoper je dat? Alle impressionisten waren met elkaar bevriend en hun stamkroeg was Café Guerbois dus wat die verkoper je wijsgemaakt heeft staat bol van de tegenstrijdigheden. Het is simpelweg kletspraat van een slecht ingelezen verkoopman.’

Mieke’s glimlach werd weer wat beter. Zou ze hier tegenin gaan? Of was het beter om Jos in zijn schijnwereld te laten ronddwalen? Ze besloot het eerste, want vanaf vandaag was ze uit haar onderdanigheid getrokken, vandaag was er iets speciaals met haar gebeurd en ze voelde het. 

‘Jos, ik meen het. Dit is nu echt een heel speciaal schilderij. Laat de afbeelding alsjeblieft op je inwerken zoals het ook op mij heeft ingewerkt dan vertel ik hoe Moillieu geruïneerd werd door de overige impressionisten. Als je kijkt naar dit schilderij dan betovert het je toch werkelijk? Zoiets kan alleen geschilderd worden door een iemand met de perfecte verhouding tussen lichaam en geest. Iemand die zijn gevoelens en gedachten in hun exactheid op het doek over kan brengen. Dat is een toch waarachtig een waanzinnige eigenschap voor een kunstschilder? Nu, ik vertel je: de andere impressionisten herkende Moillieus talent al toen die nog in kiem zat, nog voordat het grote publiek de kennis ervan tot zich genomen had. Ze voelde de dreiging van het grote talent veel meer dan dat ze de kansen zagen die het bood. Ze dachten niet aan het culturele collectief dat ze konden creëren en waarmee ze alle prachtige, onbekende kusten van de kunstwereld konden bezeilen met dit talent als vlaggenschip. Oh nee, ze vreesden dat dit talent tot z’n werkelijke omvang zou groeien en dat de schaduw die door die grootte veroorzaakt werd precies op hen zou vallen. In hun ogen was het ‘hij of wij’ en ze kozen voor hij. Dat wil zeggen: ze kozen er voor om zijn carrière om zeep te helpen om zelf in de zaken te blijven. Dat deden ze zonder al te veel moeite want het was voor kunstenaars in die tijd al moeilijk genoeg om hun werk te slijten. Bij de Salon werd je werk alleen tentoongesteld als het aan de criteria voldeed en dat betekende er nog veel klassieke werken hingen. Ruimte voor vernieuwing was er niet. Het is vandaar dat de impressionisten zelf tentoonstellingen organiseerden. Dat ging met pijn en moeite want de meesten hadden weinig middelen, maar doordat ze vanuit een collectief werkten kon er toch het een en ander georganiseerd worden. Voor Moillieu was dit natuurlijk een uitgelezen kans om bekendheid voor zijn werk te genereren. Tot de Salon werd hij niet toegelaten door de impressionistische invloeden in zijn werk. En hij meende door juist die impressionistische invloeden wél toegelaten te worden tot de tentoonstellingen van de impressionisten. Niet alleen was het een uitgelezen kans, maar ook de enige kans die hij nog had om zijn talent kenbaar te maken. Zelf bezat hij naast zijn talent namelijk weinig. Hij had geen geld of land en was voor voedsel en verf afhankelijk van de liefdadigheid van anderen. De sluwe impressionisten weigerde hem dan ook keer op keer wanneer hij werk inzond voor de tentoonstellingen. En een schilder die geen werken verkoopt en verder geen bron van inkomsten heeft ziet zichzelf al snel geneigd om het schilderen te laten voor wat het is en het geld in onderhoud van eigen lichaam te steken. En zo kwijnde Moillieu langzaam weg in de duistere steegjes van Parijs.’ 

Wow. Mieke stond van zichzelf versteld. Ze zat vol vuur en het verhaal kwam er in zo veel geuren en kleuren uit dat het wel vergeleken kon worden met een van Moillieus werken zelf. 

Jos was ook met stomheid geslagen. Hij keek naar Mieke alsof ze gek geworden was. Was ze gek geworden? Zij zelf voelde van niet. Ze leefde gewoon helemaal op, ze wist zeker dat ze een meesterlijk werk in handen had en daarom besloot ze er nog een schepje boven op te doen: ‘Nu, je kunt zelf naar het schilderij kijken Jos en dan móét je Moillieus talent wel erkennen. Wat die beste man neer heeft weten te zetten is werkelijk fabelachtig. En eigenlijk is dat nog niet het beste aan deze aankoop. Je ziet namelijk zelf ook wel in dat Moillieu het nooit lang vol heeft gehouden zonder tentoonstellingen. Dus als je logisch door redeneert kom je tot de conclusie dat er maar weinig werken van hem bestaan. Nu die combinatie van uitstekende kwaliteit en schaarste, terug gevonden in één en het zelfde product, dat vertienvoudigd, nee verhonderdvoudigd de waarde ervan. Op z’n minst.’

Ze kon zo zélf een kunsthandelaar worden meende ze. De bevlogenheid en de uitgebreidheid waarmee ze sprak was alsof ze al jaren in het vak zat. Ze had informatie voor handen die ze zomaar op tafel legde en de redenaties die ze zo vlug kon maken: een aantal uren geleden had ze het onvoorstelbaar geacht.  

Jos keek haar nog steeds vol ongeloof aan. Deels kwam dat doordat ze Mieke nog nooit in deze hoedanigheid gezien had en deels doordat Mieke hem betrapt had op het feit dat hij geen idee had wie Moillieu was. 

‘Je hebt je helemaal gek laten maken door die verkoper, lieve schat.’ Hij stond op, met het schilderij nog in z’n handen. ‘Die Moillieu van jou, het zogenaamde ‘grote talent’ heeft nooit bestaan.  Dit is gewoon een vluchtig werkje van een heel aardige amateur schilder waar om heen een heel aardig verhaal verzonnen is. Nee, werkelijk. Ik denk zelfs dat het verhaal dat die verkoper er om heen verzonnen heeft nog indrukwekkender is dan het schilderwerk zelf.’ Hij stond nu voor Mieke en nam haar hand vast. ‘Het geeft niet schatje, ik had je niet alleen over deze markt moeten laten wandelen. Als je de eerste keer op zo een markt loopt als totale leek dan ben je erg ontvankelijk voor alle indrukken. Dat zien die verkopers ook wel, die zien meteen of ze met een leek of een expert te maken hebben. Daarom is het het beste dat je voortaan maar wat beter op let wanneer ik met die rakkers aan de praat ga, daar kun je nu werkelijk iets van opsteken. Het valt me wel wat tegen dat je niets opgestoken hebt van al die keren dat we al naar markten geweest zijn.’ Mieke wilde protest maken. Ze had juist altijd bijzonder goed opgelet wanneer Jos in gesprek was. Ze probeerde altijd elk woord te onthouden en op die manier had ze voor zich zelf een heel aardige stapel aan kennis opgebouwd. Maar voordat ze iets tegen Jos’ woorden in kon werpen ging deze al weer verder: ‘Kom meisje dan lopen we terug naar die verkoper. Dan brengen we het werkje terug. Ik weet zeker dat hij je veel te veel heeft laten betalen voor dit werkje, nee noem maar geen bedragen, ik zie het dadelijk wel, laten we het spannend houden haha.’ Jos was weer in zijn element. Hij was de wijze ervaren rot die Mieke wel even liet zien hoe er gehandeld diende te worden op markten. ‘Nee het geeft allemaal niets hoor, we krijgen ons geld toch zo meteen terug dus er is niets aan de hand. Het is ook geen schande hoor, ik zal je vertellen: de eerste keer dat ik me op een brocante markt waagde, keerde ik terug met een bronzen koffiepot waarvan ze me wijs hadden gemaakt dat die uit de Brons Tijd kwam, wat natuurlijk ridicuul is want toen kende men hier in deze contreien nog geen koffie. Oh haha wat hebben we gelachen toen. Wat een stommiteit. Maar goed, daar leer je van. Zo leer jij hier ook van.’ Jos had haar hand nog vast en sleurde haar welhaast door de menigte zonder te weten waar hij heen moest gaan. Toen ze op een rustiger stukje stonden op het middenpad hield hij even halt om zijn petje af te nemen en daarmee zijn voorhoofd af te vegen. ‘Nou vertel me eens Mieke, waar staat die bedrieger ergens, waar moeten we naar toe? Waar is die ellendeling?’ Hij vroeg het luid en met een lach zodat het voor omstanders duidelijk werd dat Mieke het slachtoffer van een oplichter geworden was. De massa begon zoekend om zich heen te kijken welke koopman een bedrieger kon zijn. Mieke begon al medelijden te krijgen met de mysterieuze verkoper die haar het meesterwerkje verkocht had. Die zou dadelijk ten onrechte door de hele markt als bedrieger bestempeld worden. Maar dat was niet het ergste. De verkoper zou immers gewoon naar de volgende markt trekken en daar zou niemand van het voorval afweten. Wat erger was is dat Mieke haar zwarte parel zou verliezen. Dat zou ze niet kunnen verdragen.  Ze moest Jos tegenhouden of hem op z’n minst om de tuin leiden. 

‘Mieke…? Waar stond dat kraampje?’ 

Ze moest iets doen. Ze dacht koortsachtig na, want ze moest iets ondernemen, hem vertellen dat ze het vergeten was, hem de verkeerde kant op sturen, een beroerte veinzen. Iets! ‘Uhm ja, juist, wacht..’ ze probeerde haar gedachten nog één seconde op haar scherpst te laten denken, maar ze panikeerde: ‘Uhm ja, Jos ja, inderdaad, laten we hem op gaan zoeken Jos, volgens mij zat hij daar achter ergens.’ Ze kon er niets aan doen. Het tijdsbestek was te kort om een betrouwbaar plan op te stellen en dus dirigeerde haar hersenen haar lichaam naar de waarheid en dus Jos naar de verkoopman. Ze liep het lange gangpad af en hoeveel ze er ook over nadachten en haar hersenen halve plannen in elkaar zette om haar meesterwerkje te behouden, wist ze ook dat aan het einde van dit pad onvermijdelijk de verkoper zou staan. Ze keek links en rechts van haar, maar aan weerszijden van het pad waren geen zijpaden meer te bekennen. En ze kon ook niet tegen Jos zeggen dat ze om moesten draaien want dan zou hij haar zo door hebben. Nee, in deze situatie zat er niets anders op dan het noodlot lijdzaam te ondergaan. Nee nee, dat mocht niet zo gebeuren! Ze wilde haar zwarte parel ontzettend graag behouden. De opleving die het bij haar veroorzaakte was een heerlijk gevoel dat ze niet kwijt wilde. Ze wilde niet weer inkakken en achter Jos aan blijven lopen de rest van haar leven. Maar het marktkraampje kwam steeds dichter bij. Ze kon het bijna zien liggen. Ze waren slechts twee kraampjes ervan verwijderd, wat gelijk stond aan een twintigtal meters. Ze zag de geconserveerde bloemen en ze zag de antieke boeken liggen. Achter het zeil van het boekenkraampje lag onvermijdelijk het kraampje met de impressionistische schilderijen. Het was alsof het naderende onheil voor de verkoper van die schilderijen al aangekondigd werd door het uitblijven van mensen die  achter het boekenkraampje bleven staan om de schilderijen nader te beschouwen. Ze waren nu zo dicht bij de antieke boeken dat ze de muffige geur ervan sterk ervoer. Jos hield abrupt halt toen hij bij het einde van het kraampje gekomen was ‘Deze man, Mieke, was het deze man?’ en hij wees met zijn vette worstvinger naar de onschuldige verkoper van antieke boeken die verbaasd over zijn halve maantjes bril opkeek uit een dik lederen boek met oude, hard geworden pagina’s. ‘Pardon, wijzen is onbeleefd meneer. Brengt u als u het belieft die vinger naar beneden.’

Jos keek de man boos aan en verhief zijn stem: ‘Oude onwetende vrouwtjes oplichten is nog lager dan onbeleefd!’

En zich naar Mieke wendend: ‘Is dit ‘m, schat?’ 

Mieke besefte dat Jos hen behoorlijk voor schut aan het zetten was met deze vertoning. De verkoper van de boeken had als vanzelfsprekend niets te maken met de verkoop van het schilderijtje. Waarom sprak Jos hem dan aan? Verwachtte hij nu werkelijk dat de verkoper van uitsluitend antieke boeken ook één klein schilderijtje te koop aanbood? ‘Uhm nee, dit is ‘m niet.’ Sprak Mieke zacht. De zin waarin ze duidelijk wilde maken dat ze juist het kraampje hiernaast moesten hebben slikte ze tijdig in. ‘Dit is ‘m niet zeg je? Wel verdomme Mieke welke was het dan? We zijn de hele rij doorgelopen en aan alle kraampjes voorbijgegaan maar je hebt die oplichter niet aangewezen en ik heb nergens een kraampje gezien waar ze schilderijen verkochten.’ Jos was duidelijk uit z’n stemming geslagen en om hem zo snel mogelijk af te koelen sprak Mieke vlug de waarheid: ‘Het is het kraampje hiernaast Jos, bij al die andere impressionistische werken.’ Jos keek haar met grote ogen aan. ‘Mieke… vertel me dat je een grap maakt. Je neemt die bedrieger toch niet in bescherming? Vertel me nu dadelijk waar die vent zich begeeft.’ Mieke keek hem verbaasd aan en sprak direct: ‘Maar Jos, ik meen het. Het was het kraampje hier naast.’

‘Mieke, er staat hier geen kraampje naast, vertel me nu dadelijk de waarheid.’ Mieke was met stomheid geslagen en keek Jos sprakeloos aan. Jos kon deze stilte niet waarderen en hoe langer haar zwijgzaam aanhield, hoe roder Jos z’n hoofd werd. Het had goed tot een uitbarsting kunnen leiden, want het leek er niet op dat Mieke nog uit haar gedachten geschud zou worden voor dat Jos z’n hoofd z’n maximale roodheid behaald zou hebben, wil het niet dat de boekenhouder de stilte verbrak met de woorden: ‘Beste man, beste vrouw, de verkoper van hier naast is reeds vertrokken van de markt.’

Mieke en Jos draaiden simultaan hun hoofden naar de verkoper, maar het was Jos die z’n mond het eerst open had: ‘Wat?! Hij is zeker gevlucht na hij mijn vrouw bedrogen heeft met dit rot schilderijtje.’ En hij versterkte de agressie van zijn woorden door het schilderijtje wild boven zijn hoofd rond te zwaaien. 

‘Nou, hij is op dit moment ruim een half uur weg denk ik, ik weet niet precies wanneer uw vrouw dat werk heeft gekocht heeft, maar ja dit is alles dat ik weet.’ 

De woorden van verkoper had Jos’ woede wat bekoelt en ze lieten Mieke juist ontdooien uit haar bevroren houding. Mieke liep naar het einde van het boekenkraampje en toen ze om het hoek je keek zag ze dat het kraampje met de schilderijen inderdaad verdwenen was. Alles was zo goed opgeruimd dat het leek alsof er nooit een kraampje gestaan had. Hoewel het gras wat platter lag dan het gebied er om heen, kon Mieke zich goed voorstellen dat het bij niemand opgekomen was om te bedenken dat hier ooit een kraampje gestaan had. Waarom zou hij zo vluchtig vertrokken zijn, zo uit het niets, midden op de dag? Terwijl dat voor Mieke nog een raadsel was, waren de antwoorden op die vragen reeds kraakhelder in Jos’ hoofd geformuleerd. ‘Tja, we zijn bedrogen Mieke, de vogel is gevlogen.’ Mieke schudde zonder woorden haar hoofd: ze kon het niet geloven. Dit was toch werkelijk een meesterwerk? Waarom moest de verkoper dan zo nodig vluchten? Mieke liet zich niet zomaar betoveren door een schilderij, noch zomaar inpakken door een verkoper. Hier stak iets meer achter, ze wist het vrijwel zeker. 

‘Pardon, als ik zo vrij mag zijn,’ probeerde de nieuwsgierige boekenverkoper zich er weer tussen te mengen, ‘maar zou ik mogen weten hoe de situatie in elkaar steekt?’

Dat kon Jos kort en krachtig uitleggen: ‘Nou, ik ging daar ginder even onder een parasolletje zitten, want ik had het heet en ik ben de jongste niet meer. Dus mijn lieftallige vrouw hier die was zo vriendelijk om aan te bieden wat drinken voor mij te halen. Wat ik misschien niet had moeten accepteren, want eigenlijk hoort de man voor de vrouw te zorgen in een relatie, nietwaar? Enfin, ik liet haar dus haar gang gaan, gans in haar eentje op de markt. Nu je begrijpt zelf wel wat er toen gebeurt is, een malafide verkoper met goedkope schilderijtjes zag zijn kans, ze storten zich altijd op de zwakste van de kudde, de zieken en de ouderen. Hij moet gezien hebben dat mijn vrouw er een beetje onbeholpen bij liep en heeft toen direct zijn slag weten te slaan met zijn vuile verkooppraatjes, neemt u mij niet kwalijk niet iedere verkoper is zo, daar ben ik volledig van op de hoogte, maar doorgaans is het addergebroed hoor. En nu zitten we opgescheept met dit oerlelijke schilderijtje van een schilder waarvan zelfs God de naam niet kent.’ 

De verkoper had aandachtig zitten luisteren en had geen vin verroerd, zelfs niet toen Jos hem indirect beledigde. Hij wreef even over zijn kin en vroeg toen bedachtzaam: ‘Zou ik het werk even mogen bekijken? Ik vind het moeilijk om te geloven namelijk dat hij jullie bedrogen heeft, ik heb de beste man wel vaker op markten getroffen en ik moet toegeven: het is een zonderling figuur, maar klachten heb ik nog nooit over hem gehoord.’ 

‘Hier hebt u het werk, u hoeft er niet voorzichtig mee te doen hoor, we geven er geen zier om.’ Reageerde Jos gefrustreerd. 

De boekenverkoper nam het werkje over uit Jos z’n handen en liet het rustig door zijn handen gaan. Hij bekeek het zeer aandachtig. Na een tijdje strekte hij zijn armen en kneep zijn ogen fijn om de impressie van het schilderij compleet te maken. ‘Aha ja, zeer goed.’ Mompelde hij en ‘oh ja, hmm schoonheid.’ En toen ging hij opzoek naar het signatuur. ‘Hmm, nee, zegt me niets’ Kwam er nog op laag volume over zijn lippen. Jos sloeg het tafereel gade en Mieke zag weer wat woede opkomen. Nu Jos zich bedrogen voelde, wilde hij niet te horen krijgen dat dit juist wél een goed werk was.

‘Uhm, ja, zou ik het werk weer terug mogen,’ begon Jos, ‘we willen zo meteen naar huis gaan. We houden het niet langer uit op deze markt, nietwaar schatje? We hebben ook beslist wat water nodig, ja toch Mieke?’ Mieke reageerde niet, want ze was op de hoogte van de hoge mate aan retorische waarde die aan de aan haar gerichte vragen kleefde. ‘Ja, hier is het werkje meneer. Oh, en ik heb hier een flesje water staan dat ik u met liefde aan zou willen bieden.’  De verkoper wisselden het werkje weer uit en Jos wuifde de drank weg onder het mom dat ze dan zeker een of ander boek óók aan moesten schaffen. ‘Nee, dat is werkelijk niet nodig beste man,’ reageerde de verkoper daarop, ‘maar ik meende dat jullie zeer dorstig waren, en jullie zitten, met alle respect, toch al op een leeftijd dat jullie niet lang in de hitte moeten blijven zonder verfrissingen.’ ‘Nee, meneer, we nemen geen drank van u aan!’ sputterde Jos en hij zette een draaibeweging van zijn lichaam in werking waarmee duidelijk was dat hij weg wilde lopen. Hij zei geen woord meer tegen de verkoper en liep zonder zich meer om te draaien richting de uitgang van de markt. Mieke stond nog bij de boekenman en wilde eigenlijk nog wat vragen stellen aan de man, maar ze stond er een beetje hulpeloos bij, want ze moest eigenlijk achter Jos aanlopen. Ze zat in vertwijfeling en dat verstijfde haar. ‘Is er nog iets mevrouw? Uw man is al vertrokken, daar bent u van op de hoogte?’ Ah, actie. Er gebeurde iets. Als water vielen de woorden van de verkoopman op het waterrad van Mieke’s hersenen die alle andere tandwielen in werking stelde. Ze draaide haar hoofd en keek de verkoper aan. ‘Ja.’ Zei ze. ‘Ja, er is verder nog iets: ik zou graag willen weten wat u van het schilderij vindt. Is het werkelijk zo slecht als mijn man beweert? En wat weet u van de verkoper waar ik het werk kocht?’ 

De verkoper keek haar geïnteresseerd aan. Het was alsof hij de verhouding tussen Mieke en Jos begon te begrijpen. Maar daar ging hij niet verder op in. Hij beantwoordde de vragen van Mieke netjes: ‘Ik vond het werkelijk een zeer fascinerend werk mevrouw. Nu moet u weten dat ik mezelf niet als een kunstkenner zie, maar uw zult ook wel begrijpen dat ik verschillende boeken over deze onderwerpen gelezen heb. Als ik het werk toets aan mijn kennis uit die boeken zou ik zeggen dat het een van de betere impressionistische werken is die ik onder ogen gehad heb. De manier waarop het licht afgebeeld is, de vluchtigheid van de impressie van het werk wordt zo mooi benadrukt door de kleine vlugge toetsen en het kleurgebruik is gewoonweg fantastisch. Ik kan nu een heel technisch verhaal over de kleurenwetenschap van Chevreul op gaan hangen, maar ik betwijfel of ik u daar goed mee doe. Maar ik zou zeggen dat dit door een zeer bekwaam schilder gemaakt is. Het zou niet misstaan in een tentoonstelling van het verzameld oeuvre van Monet zelf, laat ik het zo zeggen. En toch mevrouw, en tóch, toen ik het signatuur bekeek ging er geen lampje bij me branden bij de naam. Moillieu. Nee, ik kan me niet herinneren dat ik die naam ooit eerder gelezen heb. En dat maakt het toch wel een zeer interessant werk, vind ik. Een meesterwerk van een onbekende schilder. Maar goed, voor het zelfde geld is het gisteren gemaakt door een onbekende vervalser in Drenthe, ik zou het u niet kunnen zeggen. Daarvoor zijn experts.’ 

Hmm. Dit was interessant voor Mieke. Ze deelde de mening dat het een zeer goed werk was dus met iemand die als zeer belezen mocht doorgaan. Maar daarnaast hield hij de optie open dat het een goedkoop zeer recent werk was, zonder historie. Zelf had ze er niet veel verstand van dus ze was blij met deze bevestiging van iemand die er beter in thuis was. ‘En de verkoper, tja, wat kan ik daar over zeggen. Ik heb hem wel vaker op markten gezien. Hij is anders dan alle andere verkopers. Hij spreekt voorbijgangers niet aan en zit uren achter zijn kraampje in zijn stoeltje met zijn hoed over bij ogen. Hij draagt ook een zeer herkenbare geur bij zich die me doet denken aan de sigaren die m’n opa vroeger rookte. En hij heeft bepaalde dagen dat hij, wanneer de markt zich juist op z’n kookpunt bevindt, plotseling vertrekt. Oh, en bovendien neemt hij nooit eten aan van het lunchkarretje, wat toch zeker aan te raden valt. Zeker deze markt, oh mevrouw ik had net een worstenbroodje, hmm die was heerlijk, die vind je alleen hier in het zuiden op deze manier, maar enfin: het is een zonderling figuur, meer kan ik er niet over kwijt. Ik denk niet dat iemand anders er meer over kwijt kan, want, zoals ik al zei: hij spreekt met niemand.’

‘Aha, oké, bedankt, meneer. Uw woorden hebben mijn gedachten voer gegeven.’ 

‘Ja, ach weet u mevrouw, weet u wat uw gedachtes van nog meer voer voorzien? Boeken! Laat ik er nu net een heel aantal hebben liggen hier. En wacht even, kijk, nee wacht even, even zoeken. Laat me even zoeken.’ De man begon een aantal boeken van een stapel over te stapelen naar een andere stapel, zodat hij de onderste boeken van de stapel tot zijn beschikking had. ‘Hier! Hier heb ik het mevrouw. Een grandioos boek over het impressionisme. Ik denk dat dit fantastisch voor u zal zijn. Hier kunt u alles vinden over Moillieu en alle andere befaamde impressionisten. Dit is een verzameld werk over alle acht de impressionistische tentoonstellingen. Werkelijk alle werken en kunstenaars die er ooit gehangen hebben staan er in met toelichtingen. Het is een dikke pil, maar dan heeft u ook voldoend voer voor uw gedachten voor de komende maanden zou ik zeggen.’ En hij lachte bij dat laatste breeduit. Hij legde het boek recht voor Mieke’s neus neer. ‘Hmm’ was alles wat Mieke uitbracht. Haar hersenen werkte op volle toeren. Ze wist dat ze zo een boek nodig had om het fijnste over haar schilder(ij) te vinden. Maar zou ze zoiets niet ook in de bibliotheek kunnen vinden? ‘Kan ik zoiets niet ook gewoon in de bibliotheek vinden?’

‘Oh, nee zeker niet. Dit is een speciale uitgave, speciaal voor particulieren. 702 pagina’s pure kunst. Er zijn ook aparte edities voor openbare bibliotheken gemaakt maar die zijn lang niet zo uitgebreid, dat trekt de gemiddelde lezer niet namelijk.’ Ja, natuurlijk zegt een boekenhandelaar zoiets. Stomme vraag Mieke. Maar als ze het zou kopen zou ze de woede van Jos zeker op haar hals halen. Dan zou hij haar nooit meer alleen kunnen laten, zou hij redeneren. Oh, wat een dilemma. 

‘Mevrouw, hallo mevrouw?’ De verkoper probeerde haar aandacht weer te genereren. ‘Mevrouw, omdat u zojuist misschien wel vreselijk bent opgelicht en nu in een verschrikkelijke spagaat schijnt te verkeren, bied ik u dit boek aan voor slecht de helft van de prijs, wat zegt u daar van mevrouw?’ ‘Uhm nou ja, kijk…’ wilde Mieke beginnen, maar ze werd direct onderbroken door de verkoper: ‘Nee, u hoeft me niet te bedanken, zo gaan die dingen nu eenmaal. Een beetje naastenliefde en begrip kan nooit kwaad, nietwaar? Karma zal deze goede daad wel een keer terugbrengen naar mij. U bent me niets verschuldigd. Ofja, de helft van de prijs nog dan hè haha!’ hier bij sloeg de verkoper tweemaal hard op het boek, dat hij daarna weer naar zich toe trok en het in een zak begon te duwen. Hij nam beide handvaten vast en reikte die Mieke aan. ‘Hier alstublieft, als u dan even nog dat geld zou geven kunt u gauw achter uw man aan, die zal wel op u aan het wachten zijn. U hebt het prijskaartje gezien? Nou, daar de helft van, een mooi rond getal is dat, nietwaar?’

Mieke zuchtte en haalde een aantal briefjes geld uit haar portefeuille en ruilde die vervolgens met de verkoper voor het dikke boek over de impressionisten. ‘Zo, daar gaat u veel plezier aan beleven mevrouw! En dan wens ik u nog een prettige reis naar huis toe, goedendag!’ en de verkoper wendde zich weer tot een andere, potentiële klant. Mieke zette haar weg naar de parkeerplaat in. 

Er gierde een bepaalde spanning door haar lijf die de ferme woorden en woede van Jos aankondigde, maar ook het verlangen om de kennis van het boek tot haar te nemen. Ze wilde alles over Moillieu weten. Ze wilde de waarde van haar schilderij bewijzen. Ze liep de parkeerplaats op en ze zag Jos tegen de auto aan leunen. Hij zag er niet blij uit. Zij hoofd was ongelofelijk rood. Dat was door de onfortuinlijke combinatie van warmte en woede, die bij weinig mensen lekker valt. Mieke hield de tas met haar boek angstvallig achter haar rug. Misschien, als ze snel genoeg in de auto zou stappen, zou Jos niets van haar aankoop merken. Maar Jos staarde de haar de hele weg naar de auto aan met een boze, doordringende blik. Het was onmogelijk dat hij de tas niet op zou merken. Mieke liep haastig door naar de andere kant van de auto en wilde direct instappen. Jos bleef tegen de auto aan geleund staan en draaide zich niet om naar Mieke, hij verroerde zich niet. Mieke trok aan het handvat, maar de deur gaf geen krimp: hij zat nog op slot. Mieke rammelde nog een aantal keer aan het hand vat, maar er zat geen beweging in. Ze deed een stap achter uit en bleef daar staan. Jos draaide zich langzaam om met de sleutel in zijn hand en hoewel zijn hoofd rood scheen te gloeien van de warmte en woede, keken zijn ogen Mieke ijzig koud aan. ‘Waar bleef je Mieke?’ sprak hij zó rustig er een rilling door Mieke’s lichaam ging. ‘Ik heb nog een aantal vragen gesteld aan de boekenverkoper omtrent mijn schilderij.’ Antwoordde ze met een geveinsd zelfvertrouwen in haar stem. ‘En wat heb je in die tas daar?’ Jos bleef haar op die koude manier aan kijken en de gebruikelijke herhaling van zijn vragen liet hij achterwege. Hij was kortaf en daar bleek zij woede weer uit. Mieke keek even naar onderen naar haar tas en zag het boek liggen. Ze had nu een enorme spijt dat ze het boek had aangeschaft had. Was het nu werkelijk een ruzie met haar man waard? Maar ze had zich vandaag wel voor het eerst uit Jos dwang bevrijd en dingen voor zich zelf besloten. Uit haar eigen wil had ze het gedaan en daar stonden het schilderij en het boek symbool voor. ‘Wat heb je verdomme in die tas zitten Mieke?!’ Haar stilzwijgen had blijkbaar te lang geduurd en Jos was tot uitbarsting gekomen. Hij kwam woedend op haar af gelopen ‘Geef hier die tas, wat heb je gekocht?! Zeg op mens!’ en hij rukte de tas lomp uit haar handen. ‘Het is een b..’ wilde Mieke beginnen, maar Jos was razend: ‘Een boek?! Je hebt je door die zelfde koopman een boek aan laten smeren?! Mieke dit is waanzinnig! Je hebt geen zelfstandig verstand! Het is ongelofelijk… zo’n man hoeft maar iets te zeggen en je koopt het, godverdomme Mieke. Instappen nu, we vertrekken nu, voordat je me tot een nog groter waanzin stuurt.’ Hij opende de deur en zette met zijn linkerhand druk op Miekes rug zodat die geen andere mogelijkheid had als instappen. In z’n rechterhand had hij nog steeds de tas en die nam hij mee naar de andere zijde van de wagen nadat hij de deur achter Mieke dicht geslagen had. Jos stapte vervolgens in aan en gooide de tas met het boek op de achterbank. Op een agressieve wijze probeerde hij de sleutel in het contact te proppen, wat natuurlijk niet fatsoenlijk ging want zoiets dient met beleid te gebeuren. Na een aantal mislukte pogingen gooide hij de sleutel op het dashboard en schreeuwde: ‘MIEKE kijk nu wat je doet!’ Natuurlijk deed Mieke in dit geval niets verkeerd, ze zat bewegingloos op de bijrijdersstoel, maar ze was wel de aanleiding van Jos’ woede en dus zijn falende motoriek. Jos deed nu niets als alleen maar heel zwaar in en uit ademen. Zijn hele borstkast bewoog mee. Nadat hij zijn kalmte hervonden had pakte hij de sleutel weer op en deed deze moeiteloos in één poging in het contact. Verder zei hij niets meer en keek hij Mieke ook niet meer aan. De hele weg naar huis zaten ze zwijgend naast elkaar. Toen ze zich op de snelweg bevonden en alleen maar rechtdoor hoefden te rijden verschenen er enkele aanslagen van vette zomers regendruppels op hun voorruit. De rest van de rit bleef het regenen en toen ze bijna thuis waren was de hele omgeving buiten de auto doorweekt. Het was een treurig gezicht. Alle planten die door de volle bloei topzwaar waren geworden hingen nu triest naar beneden gericht door het extra gewicht van het water. Het was een schril contrast met het begin van de dag, toen Jos en Mieke vanuit hier naar de markt gereden waren en al die planten nog fier overeind stonden en hun volledige kleurenpracht zo krachtig uitstraalden. Niets van dat alles viel er nu nog te herkennen. Toen ze op de oprit van hun tweeonderéénkapwoning geparkeerd stonden bleven ze beiden héél even roerloos zitten. Mieke wachtte tot Jos uit zou stappen, maar Jos bleef onverschillig zitten. Toen besloot Mieke haar tas van de achterbank te halen en ze voegde haar schilderijtje voorzichtig bij haar boek. Toen stapte ze uit en haastte zich naar de voordeur. Ze liet een natte voetstappen achter op het grindpad dat naar haar naar de voordeur leidde. Ze draaide aan de deur knop, maar die zat nog op slot. Als vanzelfsprekend had Jos de sleutel, maar die bleef rustig in de auto zitten. Hij keek niet naar Mieke, maar recht voorruit, als diep in gedachten verzonken. Mieke zuchtte en liet haar schouders hangen. Langzaam liep ze terug naar de auto, opnieuw een spoor aan natte voetstappen achterlatend in het grind. Met de regen uit haar haren druppend stapte ze verslagen weer in. Ze ging zitten en sloot de deur. Ze begon, net als Jos, voor zich uit te staren. 

Na een tijdje deed ze haar mond open en sprak: ‘Lieve Jos, het spijt me dat ik je zo van streek gemaakt heb, maar dit is iets wat ik erg graag wil. Dit voelt erg goed voor me. Ik had het misschien het beste met je kunnen overleggen, maar op het moment voelde ik gewoon dat ik het moest doen. Ik heb me niet laten verleiden door de verkooppraatjes, maar door het aangeboden waar. Ik hoor hier eigenaar van te zijn Jos, ik voel het.’

Jos zweeg een moment en zuchtte toen. ‘Mieke, ik vind het niet erg dat je het schilderij gekocht hebt. Maar weet je wat het is: ik deel alles met jou op zo een markt en ik probeer zo min mogelijk te kopen omdat het toch nog al prijzen zijn die ze daar vragen. Hoe graag ik bepaalde artikelen ook kopen wil Mieke, ik koop ze niet. En als ik iets kopen wil, zoals die laatmiddeleeuwse Poolse vaas toen, weet je nog? Toen heb ik dat eerst uitvoerig met jou besproken alvorens ik het aanschafte. En hier sta jij, je loopt voor het eerst in je eentje op een markt en je koopt direct een klein schilderijtje van een volstrek onbekende schilder ‘omdat je het voelt’. Je zette me ontzettend voor blok met die actie Mieke. En ik vergaf je dat nog wel, ik wilde het nog oplossen voor je. Nu dat ging niet, het zat weer eens tegen. Maar ik hoopte dat het toen toch wel duidelijk was dat het eigenlijk niet zo netjes was wat je gedaan had. Maar vervolgens koop je doodleuk ook nog een boek op die markt. Alsof het je helemaal niets doet wat ik zeg. Mieke, bergrijp je mijn onbegrip, mijn woede?’

Mieke sloeg haar ogen neer en staarde naar haar schoenen. Ze begreep het en ze had ook wel medeleven met Jos, maar spijt van haar acties had ze niet, want ze wilde de artikelen echt graag behouden. ‘Ik begrijp het Jos. Het spijt me.’ Ze draaide haar hoof naar Jos en Jos keek haar aan. Hij pakte haar hand en bracht die naar zijn mond. Hij kuste haar hand en zei: ‘Ik heb ook spijt van mijn uitbarsting, dat was niet behoorlijk van mij, sorry.’ Ze keken elkaar in de ogen. Voor Jos was het goed zo, hij had spijt en zij had ook gezegd dat ze spijt had, maar Mieke vond het een walgelijk moment. Ze voelde zijn lippen een beetje plakken op haar hand en ze moest de neiging om het warme slijm dat achterbleef op haar hand aan haar rok af te vegen onderdrukken. Ze had zelf namelijk helemaal geen spijt. Ze vond Jos onuitstaanbaar. Nu was hij weer heel zoetjes, maar dat was alleen omdat hij wilde dat zij zich weer onderdanig zou gedragen en naar zijn grillen zou leven. Onwillekeurig kwam de walging die ze van binnen voelde naar buiten doordat ze haar mondhoeken naar beneden trok. Vlug herstelde ze zich door die mondhoeken extra ver om hoog te sturen en haar ogen te laten schitteren. Dat was voor Jos het teken dat alles weer goed zat tussen hen en hij trok zijn hand terug. ‘Ah kijk nou, het is zelfs gestopt met regenen, ‘ zei hij opgewekt, ‘hartstikke fijn. Ik heb wel zin in een lekker kopje koffie, jij ook schat? Zou jij dat willen zetten voor ons, liefje, als we binnen zijn?’ Jos loog. Het was niet gestopt met regenen, het was weliswaar minder hard gaan regenen, maar zelfs een blinde had nog gezien dat het nog regende. In Mieke begon een bepaalde haat te borrelen in haar lichaam en haar ogen verstarde. Jos zei het allemaal mierzoet, maar aan alles was te merken dat hij er van uit ging dat zij zich weer zou schikken in haar onderdanige rol. Of ze even koffie kon zetten. Jezus, wat een lul.

Mieke stapte uit en liep over het grindpad, waar nu vier sporen van natte voetstappen ontstaan waren, naar de voordeur die Jos overdreven galant voor haar open hield.

Dagen gingen voorbij maar Mieke bleef het nare, borrelende gevoel in haar lichaam bewaren. Ze hield niet meer van Jos. Ze was haar liefde voor hem verloren. De liefde die het mogelijk gehouden had dat ze hem altijd zo slaaf, zonder te mokken had kunnen volgen. Nu was het anders. Als Jos haar vroeg om hem een glas water te brengen weigerde ze dat en zei ze dat hij dat ook goed zelf kon doen. Er waren zelfs dagen dat ze geen zin had om een fatsoenlijk avondmaal te bereiden. Jos bestelde dan Chinees of reed naar de snackbar, maar het zat hem niet lekker dat Mieke zo veranderd was. En hij wist niet waar het door kwam. Hij probeerde haar met duizenden warme woorden te smelten, maar die misten z’n uitwerking volledig. Ze hadden een averechts effect: Mieke’s verachting groeide er sterker door. Alle liefde die Mieke niet in Jos stopte, stopte ze wel vol overgave in haar schilderij. Uren lang kon ze er naar staren terwijl ze nadacht over allerhande zaken. ‘In dit schilderij ligt de oorsprong van al je vragen.’ had de verkoper gezegd. Maar ze werd niet wijzer van het gestaar. Integendeel: er doemden steeds meer vragen bij haar op. Maar antwoorden bleven achterwegen. Ook in haar boek vond ze weinig wijsheid. Hoewel ze alle kenmerken van een impressionistisch werk nu op kon noemen en ze allemaal aan haar pareltje linken kon, had ze niets over Moillieu gelezen. Ze las lange, uitgebreide stukken over alle acht de impressionistische tentoonstelling en iedereen die zijn werk daar tentoongesteld had. Maar ze vond niets over haar Moillieu. Dat had er natuurlijk mee te maken dat hij ook nooit op een van die tentoonstellingen gestaan had, maar het was volgens Mieke niet vreemd geweest om iemand die telkens zijn werk had instuurt toch even te vermelden in dit boek dat beweerde alles wat impressionisme betreft te omvatten. Maar misschien was het Monet en zijn medestanders gelukt Moillieu werkelijk volledig in de doofpot te stoppen. Mieke wist dat ze ergens informatie over hem vinden moest. Ze was er van overtuigd dat dit geen waardeloos werk was zoals Jos beweerde. De verkoper van de boeken had haar ook verteld dat het een goed werk was dus ze stond niet alleen. 

Ondertussen had ze het boek over het impressionisme volledig uitgelezen. Sommige delen had ze zelfs een aantal keer over gelezen, maar geen teken van Moillieu. Het leek haar daarom verstandig om in de plaatselijke bibliotheek boeken over het impressionisme op te zoeken. En zo kwam het dat ze op een zekere dinsdag morgen, zonder Jos iets te laten weten, naar de bibliotheek was gefietst. Ze sprak sowieso bijna niet meer met Jos. Ze sliepen nog wel samen in een bed maar dat was dan ook het enige wat ze nog samen deden, want zo gauw Mieke opstond ging ze direct naar haar kleine leeskamertje waar ze zichzelf opsloot om vervolgens de hele dag aan haar schilderij te wijden. Deze dag brak haar wekelijkse ritme dus wat op doordat ze naar de bibliotheek was gefietst. Nu zat ze aan een lange tafel in de hoek van de ruimte en had ze een hele stapel boeken om haar heen verzameld. Ze bladerde wat in een biografie van Seurat. Ze was wat weggedroomd toen er opeens een zware geur van oude mannen parfum, gemengd met een zware sigaren geur haar overweldigde. Ze keek vluchtig naar rechts en daar was een man naast haar komen zitten. Hoewel het natuurlijk niet heel vreemd was dat er iemand bij haar aan tafel kwam zitten trok het toch haar nieuwsgierigheid, tezamen met haar ergernis. Want waarom moest de man zo nodig zo kort naast haar gaan zitten terwijl de hele tafel verder leeg was? Ze probeerde de man vanuit haar ooghoeken te identificeren, maar alles wat ze zag was dat het de man een hoed droeg. Ze draaide haar hoofd nu volledig en keek hem aan, maar hij scheen zeer aandachtig een boekje te lezen. Hij reageerde niet op haar plotselinge beweging. Mieke wist niets uit te brengen en staarde slechts met open mond naar de man. De man sprak, zonder van zijn boek op te kijken: ‘Doe je mondje dicht, wil je? Het is onbeleefd om te staren.’ Mieke herstelde zich en sloot haar mond, maar ze stopte niet met staren, ze bleef hem aankijken. Ze wist niet precies wat ze moest zeggen, maar ze voelde zicht vrij ongemakkelijk met zo een vent zo dicht bij haar. Ze hoopte dat hij haar starende ogen als vervelend zou ervaren waardoor hij wel wat verderop zou gaan zitten, maar het tegendeel bleek waar te zijn: ‘Wat leest u, beste vrouw? Als u toch niet ophoudt met staren, kunnen we net zo goed een gesprek starten.’ De vraag bracht Mieke enigszins van haar stuk. Hier had ze niet op gerekend. Bovendien kon de man kon toch zien dat het allemaal aan het impressionisme gerelateerde werken waren? ‘Uhm dit is een biografie van Seurat. Ik verdiep me een beetje in het impressionisme.’ Zei ze tenslotte. De man keek op vanuit zijn boek en bestudeerde de stapel boeken die voor Mieke lag. ‘Een interessant onderwerp. Ja, zeker een interessant onderwerp.’ Zei hij. ‘Ja! Zeker. Het is zeker een interessant onderwerp. Bent u er een beetje in thuis? Ik zie mezelf namelijk als een complete leek op het gebied van kunstgeschiedenis.’  De man bekeek Mieke aandachtig vanonder de duisternis die zijn hoed over zijn gezicht wierp. ‘Ja. Het is toevallig een onderwerp waar ik erg van hou mevrouw. En ik kan ook wel zeggen dat ik er behoorlijk in thuis ben. Met name het impressionisme, waar u zich nu in verdiept, is mijn specialiteit.´ Mieke zag dit als een buitenkans. Ze wilde de man uithoren over Moillieu. ´Oh werkelijk meneer? En u kent ook alle impressionistische schilders en hun verhalen? Bent u daar ook in thuis?´

´Ohja, ik ken ze allemaal, tot de kleinste, meest onbelangrijke schilders aan toe. Zelfs hun leerlingen en hun atelierknechten ken ik. Ik zie mezelf als een expert op dat gebied. Jaren lang heb ik me erin verdiept en er onderzoeken naar gedaan.´ Miekes hart sloeg over. Dit was geweldig, deze man kon haar alles vertellen over Moillieu en ´De Stenen Maaltijd´. ´Meneer, wat fijn dat ik u hier tref, wat bijzonder fijn. Kijk de reden dat ik me zo probeer te verdiepen in het impressionisme is dat ik een poosje geleden een zeer mooi impressionistisch werk heb aangeschaft voor een behoorlijk groot geldbedrag. Het is een zeer goed werk, dat kan ik u verzekeren. Maar het probleem, het vervelende is dat ik over de schilder ervan, de grote Moillieu, nergens ook maar enige vorm van informatie vinden kan. En ik ben op de hoogte van de doofpot waar hij in gestopt is door de jaloerse andere impressionisten, maar aangezien u jaren onderzoek hebt gedaan zou u me misschien wat meer over deze mysterieuze schilder kunnen vertellen.´ sprak Mieke met een glimlach die getemd enthousiasme vertoonde. Ze brandde van verlangen naar duidelijk. Ze keek hem gespannen aan. De blik van de man keer de weer terug naar het boek waarin hij aan het lezen was. Hij zuchtte. ´Moillieu.´ ´Moillieu, ja die naam heb ik ooit eerder gehoord, maar alleen van uit de mond van complotdenkers en oplichters mevrouw. Ik ben zijn naam nog nooit in de vakliteratuur tegengekomen. En hoewel dat mooi aansluit bij de theorie dat hij in de doofpot gestopt is, is er in het burgerregister van Parijs tussen 1870 en 1900 nooit aanwezigheid van ene ´Joseph-Marie Moillieu´, zo zou hij voluit geheten zou hebben,  gevonden. En ik verzeker u, mevrouw zo zijn er nog wel meer aanwijzingen dat het een niet bestaand, mythisch figuur is. Er zijn al enkele honderden nieuwsgierige geesten u voorgegaan in deze zoektocht mevrouw, maar niemand is er tot op heden in geslaagd zijn bestaan te bevestigen.´ Mieke keek hem verschrikt aan. Ze wist niet wat ze moest denken. Was deze man wel deskundig genoeg om het fijnste van de impressionisten af te weten? Of was Moillieu inderdaad een verzinsel, bedacht door oplichters? ´Maar ik heb een schilderij van Moillieu…´ begon Mieke, maar de man schudde zijn hoofd. ´Ja, mevrouw, er zijn naast u nog enkele tientallen, misschien wel honderden mensen die een schilderij van deze mysterieuze schilder claimen te bezitten. Maar het feit is dat niemand de echtheid er van bevestigen kan, doordat niemand de echtheid van de schilder zélf bevestigen kan. Het is een ingewikkelde situatie mevrouw, waar oplichters en bedriegers gretig gebruik van maken.´ Mieke keek de man uiterst teleurgesteld aan, maar ze weigerde te geloven dat haar schilderij een vervalsing was. Het was te goed om door een oplichter gemaakt te zijn. Als ze het vergeleek met de schilderijen van de andere impressionisten uit de boeken die ze las, deed het er zeker niet voor onder. ´Het spijt me mevrouw, maar ik kan er niet meer van maken.´ En met die woorden klapte de man zijn boek zachtjes dicht en legde hem netjes op de hoek van de tafel. Toen liep hij naar de uitgang van het gebouw. Hij liet Mieke half gedesillusioneerd achter, maar haar andere helft bouwde een ongekende strijdlust op. Ze moest het ongelijk van de ´deskundige´ bewijzen. Ze moest haar fascinatie voor haar pareltje rechtvaardigen. En ze wist dat het kon, ze moest gewoon alle boeken nagaan opzoek naar elke aanwijzing van het bestaan van Joseph-Marie Moillieu. 

De daarop volgende periode sloot ze zichzelf op in haar leeskamer en  las ze dagen lang boeken over het impressionisme op zich zelf en daarnaast nog dikke biografieën van Monet, Renoir, Degas, Pissaro en de andere impressionisten. Ze maakt aantekeningen wanneer ze dacht een vage hint naar Moillieu te herkennen. Wanneer ze bijvoorbeeld een foto van de impressionisten tegenkwam en ze een bepaald persoon niet kon identificeren als een van de grote impressionisten dan wist ze zeker dat dat Moillieu geweest moest zijn, maar verder dan zo een foto kwam ze dan niet. Of wanneer ze las over de verhitte discussies over esthetica die de impressionisten in Café Guerbois voerden. Dan bedacht ze dat het verhaal over Moillieu daar perfect tussen paste: de aanwezigheid van Moillieu zou de hitte van de discussie tot extra grote hoogte hebben gedreven. Maar dat was niet wat ze las, dat was wat ze bedacht. Nergens vond ze een bevestiging voor haar gedachten en haar theorieën. Ze begon zich zelf te verliezen in de speurtocht naar aanwijzingen en zo kwam het dat ze zichzelf steeds slechter ging verzorgen. Ze waste zich niet meer, borstelde haar haren niet meer en at soms dagen lang alleen maar droog brood. Jos wist niet wat hij er mee aanvangen moest. Aanvankelijk gaf hij er niet zo veel om, zolang ze hem zijn verfrissingen bracht, het huis netjes hield en zorgde dat er tegen de avond eten op tafel kwam te staan vond hij het prima. Maar nu Mieke die dingen ook nog na liet begon Jos zich zorgen te maken. Op een morgen dat Mieke niet aan de ontbijttafel verschenen was vond Jos het genoeg. Hij besloot haar op haar gedrag aan te spreken. Hij liep naar de bovenverdieping van hun tweeondereenkapwoning en liep direct door naar het kleine leeskamertje dat eigenlijk altijd als opslag kamer gebruikt was, maar waar Mieke haar dagen nu sleet met al haar boeken.  Jos klopte op een aantal keer zachtjes op de deur. Hij zette zijn zoete, zachte stemmetje op en sprak: ‘Mieke? Mieke ben je daar?’ Hij hoorde wat gestommel en dat was een bevestiging dat ze aan de andere kant van de deur aanwezig was. Hij duwde de deur open en zag Mieke zitten aan een oud tafeltje waar een tiental boeken wild verspreid op lagen. Hij zag ook wat losse blaadjes met aantekeningen. Op de grond, tot vlak voor zijn voeten, vond hij meer van dat soort blaadjes, maar dan in verfrommelde staat. Op de grond rondom haar stoel laag ook een berg slijpsel van potloden. Kortom: het was een chaotische, rommelige boel op haar kamertje. Mieke reageerde niet op de geopende deur. Haar verwilderde, grijze haren hingen in slierten aan haar hoofd. Het was duidelijk dat die in geen tijden meer gewassen of geborsteld waren. Jos kon haar gezicht niet zien door de overhangende haren, maar hij maakte zich zorgen. Hij hield zich vast aan de deurpost. ‘Mieke, schatje, kom je wat eten?’ 

Hierop ontblootte Mieke haar tanden op een angstaanjagende manier en Jos kreeg een warme, misselijkmakende walm uit haar mond in zijn neusgaten. Mieke zette een uiterst griezelige glimlach in waarin een bepaalde vreugde schuil ging, als ook een enorme minachting jegens Jos. Mieke begon tussen de opgepropte papiertjes te scharrelen en vond een klein propje dat ze op haar tafeltje ontpropte en netjes glad probeerde te strijken. Ze las de tekst die ze er dagen, misschien wel weken geleden op had geschreven en zette een gevaarlijk hikkend geluid in waaruit een eng soort van vreugde uit bleek. Vluchtig begon ze nieuwe woorden op het blaadje te krassen. Jos bekeek het tafereel met diep medelijden. ‘Mieke, je moet nu echt met me mee komen, we gaan even wat eten. Dat heb je nodig.’

Mieke kraste als door een demon bevangen gedreven door op het blaadje. Ze schreef nu zelfs over de oudste woorden heen, waardoor die onleesbaar werden. Ze schreef nu met zo een grote snelheid en zette zo een grote druk op het potlood dat de punt ervan met veel geweld van het potlood brak. Nu brak er ook iets in Mieke. Ze gooide het potlood richting Jos en schreeuwde een kreet die leek op ‘aarghh’ waarbij ze een hoeveelheid slijm mee uit haar mond spuugde. Even leek ze waanzinnig te worden en Jos zag een heel ongezonde gloeiende agressie in haar ogen. Haar ogen keken hem strak aan en Jos zweeg. Hij keek haar vol medelijden aan. Toen brak er voor de tweede maal in zeer korte tijd iets in Mieke. Haar ogen keerden terug naar normale gestalte, haar wenkbrauwen trokken zich hoog naar haar voorhoofd op en zo verscheen een onwijs onschuldig gezicht op het hoofd van Mieke. Ze barste in snikken uit. ‘Oh, Jos, het spijt me.’ Ze legde haar hoofd op tafel om aan het zicht van Jos te ontsnappen. Ze was tot besef gekomen dat ze zichzelf volledig verloren was in haar bewijsdrang. ‘Jos, het spijt me zo.’ Ze snikte door. Er verschenen nu ook tranen in de ogen van Jos. Hij liep naar Mieke toe en knielde naast haar. Hij sloeg zijn arm om haar heen en wreef over haar rug. ‘Stil maar Mieke. Het is goed zo. Het is allemaal goed.’ Mieke ging zachter snikken. ‘Kom dan laten we de rotzooi hier liggen en dan gaan we je even wassen.’ Mieke hief haar hoofd en haar ogen waren nu heel kort bij die van Jos. Ze keken elkaar aan en ze wisten allebei dat het goed was. Het was over, Mieke was te ver gegaan in haar zoektocht naar bewijzen. Maar nu was het over. Dat zagen ze in elkaars ogen. Jos stak zijn arm onder haar oksel en tilde haar op. Die zelfde hand sloeg hij om haar middel toen ze rechtop stond en zo liepen ze samen naar de badkamer waar Mieke gewassen werd. Al het vet verdween uit haar haren, haar tanden werden weer bijgewerkt, haar haren werden geborsteld en ondanks dat ze erg vermagerd was zag ze er heel aardig uit. De huid op haar gezicht vertoonde nu ook wat verschijnselen van kleur. Ze werd aangekleed en samen begaven ze zich naar de onderverdieping waar ze aan de ontbijttafel een simpele broodmaaltijd voor lunch namen. Toen ze beiden hun magen gevuld hadden bleven ze zitten en nipten ze nog wat aan hun thee. Jos veegde wat zenuwachtig met zijn rechterhand over het tafelblad. Mieke moest glimlachen. Dit keer op een charmante, aller aardigste manier, een manier waar liefde uit bleek. Jos keek op en zag de lach. Haar lach toverde een ietwat onzekere, zeer lieve lach op zijn mond en zo zaten ze tegenover elkaar te glimlachen. 

Toen de tafel afgeruimd was en Jos en Mieke de borden en het bestek in hun kleine wasbakje af aan het wassen waren vroeg Jos ineens opgewekt: ‘Zal ik anders vanavond eens lekker voor jou koken Mieke. Dan kun jij lekker onderuit op de bank liggen en dan kook ik voor je, wat zeg je daar van?’ Mieke moest lachen. ‘Dat is een lief voorstel Jos. Maar je vergeet dat je helemaal niet koken kan.’ ‘Uhm, ja, nou, ik maak wel iets uit een recepten boek. Dan hoef jij eventjes niets te doen Mieke.’ ‘Nee, ik help je wel mee Jos. Ik heb de afgelopen periode toch al weinig gekookt dus dat is het minste wat ik kan doen.’ Jos keek even naar haar tijdens het afwassen en ging toen weer verder met schrobben. ‘Ja, dat is goed Mieke, dat klinkt gezellig. Dan zullen we zo maar eens naar de supermarkt gaan om wat voedsel te halen, want ik vrees dat ik dat niet veel gedaan heb de laatste dagen.’ Jos overhandigde de schone borden aan Mieke, die ze afdroogde. Ze ruimden het servies op en besloten direct naar de supermarkt te gaan. Ze liepen door het gangetje en toen ze vlak voor de voordeur stonden realiseerde Mieke zich dat ze in geen tijden meer buiten geweest was. Jos opende de deur en het binnenvallende licht overweldigde Mieke. Toen haar ogen aan het licht gewend waren durfde ze naar buiten te stappen. Jos pakte haar hand en samen liepen ze naar de auto. Jos had de tuin mooi bijgehouden in haar afwezigheid. Mieke snoof de grote diversiteit aan geuren op en ze besefte wat ze gemist had in de tijd dat ze zichzelf opgesloten had op haar kamertje: de geuren, de kleuren, het licht: het leven had ze gemist. 

Jos en Mieke liepen samen door de winkel. Jos duwde het karretje voort. Ze hadden groenten, specerijen en bijna alle andere benodigdheden voor een lekker stoofpot reeds in hun karretje gestopt. Ze hoefden slecht nog naar de vleesafdeling voor een vers stukje rund. Jos liep weer met de air, en het vleugje arrogantie door de winkel zoals Mieke hem kende. En Mieke liep naast hem. Ze liep niet meer achter hem aan. Voor haar had het hele avontuur wel degelijk iets opgeleverd. Jos stuurde de kar naar de vleesafdeling in de winkel en maakte een praatje met de slager. Hij liet zijn deskundigheid over de malsheid van het vlees en de beste snijmethodes blijken en de slager sneed zwijgend een mooi stuk vlees voor hen af. Mieke was tevreden en op de weg naar de kassa legde ze even haar hand op zijn hand terwijl hij het karretje duwde. Hij stopte zijn verhaal over de geschiedenis van blikgroenten en zweeg tevreden. Mieke gaf hem een kort liefdevol kneepje in zijn hand en ze hadden beiden ene tevreden uitdrukking op hun gezicht. 

Samen hadden ze erg gezellig een stevig avondmaal klaar gemaakt waar tijdens het prepareren de liefkozingen rijkelijk vloeiden. Het was alsof Mieke en Jos voor de tweede maal verliefd geworden waren. Tijdens het eten wierpen ze steelse blikken op elkaar en de glimlach was niet van hun gezichten af te slaan. Jos vroeg of Mieke de jus door kon geven. ´Hey Mieke´ zei hij en liet de jus uit het kannetje stromen en tilde het kannetje, terwijl de jus bleef stromen, hoog boven zijn bord. Hij trok daar bij uitdagend zijn linker wenkbrauw een aantal keer omhoog. Mieke schoot in de lach en sloeg beide handen voor haar mond om te voorkomen dat er eten uit viel. Jos moest ook lachen en verloor daardoor de controle over zijn motoriek enigszins, waardoor hij wat jus morste. Daardoor moesten ze allebei nóg harder lachen. 

´Tok dok tok´ (….) Jos en Mieke probeerde hun lach in te houden om te horen waar het getok vandaan kwam. Hun gezichten vertoonden vele rimpels van inspanning en hun ogen stonden nog in de lachstand, maar hun lippen wisten ze op elkaar te houden. ´tok dok tok tok tok´ hoorden ze weer. 

 ´Oh het is de deur. Iemand klopt op de deur, ´ zei Jos terwijl hij opstond van de eettafel , ´ik loop wel even.´ Mieke veerde op ´ Ik ga met je mee!´ ze had zin om alles samen met Jos te doen, om nooit meer van zijn zijde af te wijken. ´Nee Mieke, nu blijf je rustig zitten. Je hebt me al mogen helpen met koken, maar nu verplicht ik je tot een relaxmoment haha.´  ´Oh nou, laat me maar weer alleen´ zei Mieke quasi verontwaardigd. Jos lachte erom en zei: ´Ben zo terug schatje, ik wimpel die gasten zo af hoor haha.´ 

Mieke had haar bord al leeg en roerde verveeld wat door de stoofpot. Jos zou die toch niet meer opeten. Het ´afwimpelen´ van Jos duurde langer dan Mieke gedacht had en dus besloot ze de tafel alvast af te ruimen. Ze zette alle vuile pannen en borden op de aanrecht. Ze pakte nog een doekje om de tafel af te doen, maar meer zou ze niet doen want ze moest van Jos haar ´relaxmomentje´ pakken. Stiekem was Jos wel een erg lieve man, hij kon dan wel erg arrogant overkomen en hij sneeuwde Mieke vroeger helemaal onder, maar hij leek door de hele situatie met het schilderij en Miekes toestand ook veranderd te zijn. Hij gaf haar aandacht en deed lief. Het was heerlijk: ze waren dichter bij elkaar gekomen door het hele voorval. Jos liet maar op zich wachten, normaliter was hij met venters een stuk sneller klaar. Mieke besloot weer op te staan en het dessert vast voor te bereiden. Ze haalde wat bakjes ijs uit het vriesvak en een aantal dessert sauzen, tezamen met wat fruit uit de koelkast. Ze was juist bezig de ingrediënten op twee bordjes te plaatsen toen Jos terug in de eetkamer kwam. ´Mieke, oh Mieke.´ haar naam kwam zangerig over zijn lippen. Hij verkeerde, hoe is het mogelijk, in een nóg betere stemming dan toen hij de ruimte verliet. ´Oh Mieke, oh Mieke.´ zong hij verder. Mieke keek hem verbaasd aan. ´Wie was dat aan de deur Jos, vanwaar deze extra lading aan vrolijkheid?´ Mieke moest lachen om het maffe danspasje dat Jos nu deed. ´Mieke´ zong hij nog een maal en toen stond hij recht voor hem. `Mieke, ik heb goed nieuws. Er kwam net man aan de deur en op de een of andere manier wist hij van je schilderijtje af en we raakte wat aan de praat en zo en wat denk je? Hij wilde het schilderijtje graag hebben. Nou ja, ik dacht: we hebben al zoveel ellende gehad door dat onding dus we zijn dat ding liever kwijt dan rijk, nietwaar? En hij wilde er nog wel voor betalen dat onding. Ik heb hem maar direct duidelijk gemaakt dat het om een soort vervalsing gaat en dat die schilder ervan helemaal niet bestaat, maar daarna wilde hij het nog steeds hebben. Nou, ik zei ´beste man, hier krijgt u het helemaal voor niets van me mee.´ Nou, en vrolijk dat die man was, dat wil je niet weten Mieke. Heeft dat schilderij toch nog iemand vrolijk gemaakt hé Mieke. Het kan raar lopen.´ Jos lachte nog steeds hartelijk, maar Miekes gezicht was helemaal vertrokken. Met een laag stemgeluid vroeg ze: ´Hoe zag die man eruit?´ Jos z´n overmatige vrolijkheid trok wat bij en verbaasd vroeg hij ´wat doet dat er toe? We zijn het kwijt.´ Maar Mieke hield aan: `Hoe zag hij eruit, Jos?´ Jos was nu helemaal van z´n apropos en verdwaasd antwoordde hij zijn vrouw. ´Nou, hij droeg voornamelijk duistere kleding, waaronder een zwarte hoed  op zijn hoofd die ervoor zorgde dat ik zijn gezicht maar met moeite kon zien en hij had een eigenaardige zware lucht om zich heen hangen.´ 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *