Meld je aan voor de nieuwsbrief

Fritz en Kaldewijn hielden er een handeltje in pulpknollen op na. Alle dagen van de week werd er met deze knollen gewerkt. Behalve donderdag. Elke donderdag ging Fritz met z’n knollen naar de markt. En elke donderdag dat Fritz weg was om z’n alom geprezen knollen aan de man te brengen, ging Kaldewijn aan de haal met de knollenmachine. Oliën, afzuigkleppen oplappen, en op z’n tijd werden de rubbertjes tussen de tandwielen verwisseld. 

Eén dag, toen Fritz in alle vroegte weer de ontbijttafel verlaten had om met z’n knollen aan de man te brengen en Kaldewijn de resten van het ontbijt opgeborgen had, viel het Kaldewijn op dat er een drietal kauwen op de machine zat. Het was een berucht drietal. Enkele malen deze maand hadden deze kauwen op een heel slinkse wijze de machine weten te saboteren. De pulpknollen die Fritz en Kaldewijn altijd goed opgeborgen hielden in het hart van de machine, lagen hierdoor open en bloot op het erf.  Kaldewijn was er altijd rond het middaguur achter gekomen.  Lag ze even op de bank te rusten, hoorde ze de kauwen krassen. 

De eerste twee maal had ze gedacht dat Fritz vroeg thuis was gekomen. De derde en zesde maal was ze er door heen geslapen.  De overige keren had ze de kauwen enkel weg kunnen jagen en, nog voor de thuiskomst van Fritz, alles weer netjes op orde gemaakt. Dit keer had ze echter de kans om te zien hoe de kauwen te werk gingen. 

Langzaam schoof ze de gordijntjes van het keukenraampje wat verder opzij. Ze pakte haar eigen stoel van de ontbijttafel weg en plaatste deze mooi voor het kleine raampje. Zo had ze goed zicht op wat er gebeuren zou. 

De eerste tien minuten gebeurde er niets. In de daarop volgende vijf minuten vloog een van de kauwen even op, om vervolgens weer te landen op de plek waarvan hij opgestegen was.

Kaldewijn probeerde haar focus op de drie beesten tegelijk te houden, maar merkte dat de dikste kauw toch de meeste aandacht opeiste. Hij leek niet fatsoenlijk te kunnen vliegen. Telkens wanneer hij op probeerde te fladderen kwam hij niet hoger de verwaarloosbare hoogte van een theekopje. Kaldewijn probeerde te achterhalen of het door de omvang van z’n buik kwam, of door een defect in z’n vleugels. Ze kon het niet met zekerheid zeggen, maar het leek een combinatie van beide te zijn. Het zag er in ieder geval zwaar autistisch uit.

Eénmaal probeerde het vette beest te landen op de reling van de machine, nadat hij zich weer vijf centimeter de lucht in gewerkt had. De landing zag er ontzettend bevallig uit, want het beest greep in eerste instantie finaal naast de reling, waardoor hij wanhopig, heel hard met z’n vleugels moest flapperen om weer boven de reling te komen.

Kaldewijn schudde haar hoofd. Het leken haar stomme beesten. En toch wisten ze telkens hun machine te saboteren. Het verbaasde haar. Kaldewijn vervolgde het staren naar de vogels zonder zeer specifieke  gedachten. Ze zag de smalste vogel op vliegen en vervolgens wat rondjes rond de machine vliegen. Kaldewijn schrok even op toen de vogel tijdens zijn vlucht achter de machine verdween, maar hij kwam spoedig weer tevoorschijn en landde weer netjes bij de andere twee kauwen op de reling van de machine.

Zo nu en dan besloot de smalle kauw dat het tijd was om zijn veren uit te schudden en dat deed hij dan ook maar. De dikke pikte ook wat in z’n verendek. Maar de laatste kauw bleef opvallend stil zitten.

Kaldewijn had hem nog niet zien bewegen. De smalle keek druk om zich heen en begon wat op z’n plek te fladderen. De dikke reageerde er op door mee te fladderen. Maar de stille hield zich koest. Kille koestheid die mensen ook wel eens ervaren als ze een intense haat voelen, maar die door omstandigheden niet kunnen uiten. Het beest leek Kaldewijn recht aan te kijken. Ze kreeg er een beetje kriebels van en besloot weer naar de dikke te kijken. Die gleed met een pootje van de reling af en landde met z’n pens op de reling, waarna hij weer ging fladderen alsof z’n leven er van afhing.

Kaldewijn kreeg met dit beest een beetje medelijden en besloot haar blik te fixeren op de smalle, die het meest actief was en het minst onhandig. Maar ook deze hield zich opvallend gedeisd. Hij keek wel wat vluchtig om zich heen, alsof hij iets gezien had. En toen vlogen ze alle drie op, maar de stille kauw het laatst van alle.

Ze vlogen weg en verdwenen langzaam uit Kaldewijns gezichtsveld. Ze bleef kijken tot de vogels volledig verdwenen waren en toen zag ze dat Fritz thuis gekomen was. Hij was bezig de knollen die hij niet verkocht had terug de machine in te gooien. ‘Nou, mooi, dan kunnen we mooi aan het werk, want ik heb de vogels niet op sabotage kunnen betrappen.’ Mompelde ze.

En ze zette haar stoel terug aan de tafel en liep naar Fritz toe. ‘Hallo Fritz.’ ‘Hallo Kaldewijn, ik heb vandaag 23 kilo verkocht.’ ‘Oh, mooi. Mooi is dat.’ Fritz ging door met het overplaatsen van de knollen en Kaldewijn liep naar het bedieningspaneel van de machine. Daar opende ze een klein luikje en schakelde ze een knop om, waardoor ze recht in het hart van de machine kon kijken. Waar de pulpknollen opgeslagen lagen. En daar lagen ze nog steeds. Kaldewijn sloot het luikje weer en liep terug naar Fritz. Die had ondertussen de kruiwagen volledig geleegd. Hij keek even naar Kaldewijn en die zette een smalle glimlach op en gaf een kort knikje. Toen liepen ze samen naar binnen waar ze zwijgzaam de koude thee van het ontbijt opdronken. 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *