Meld je aan voor de nieuwsbrief

Het eerste deel van een verhalen serie over de jonge student Alfons Wiedemeijer genaamd: De Kamer van Alfons. 

Voor menig ander was het een kamer als alle andere geweest. 18 vierkante meter woonruimte, afgebakend met vier witte muren. Een wasbak in de hoek en een wandkast die en muur in tweeën brak. Maar toen Alfons deze kamer toegewezen kreeg vanuit het huisvestingsorgaan voelde hij zich meer dan voldaan. Deze kamer belichaamde zijn ambitie om schrijver te worden. Waar anderen een doodnormale kamer zagen, zag hij de kamer van een dichter. Vanaf nu zou dit de derde kamer van hart zijn. Hij visualiseerde de zijn typemachine op een simpel bureautje naast de wasbak. Een egaal grenenhouten bed in de overstaande hoek en louter colbertjes en overhemden in hij wandkast.

Hij stapte de kamer binnen en nam plaats in het midden van de ruimte. Het fletse TL-licht ketste af op de kleurloze muren. Hij sloot zijn ogen en visualiseerde hoe hij deze kamer deelgenoot zou maken van al zijn emoties. ‘Ik moet nog een klein tableautje kopen om wat half lege flessen whiskey op te stallen.’ Dacht hij. De drank waarmee hij zijn eenzaamheid zou wegdrinken. De eenzaamheid die de bron is van alle schriftelijke magna opera. Hij beeldde zich in hoe hij woest arriveerde in deze kamer na het bezoek van een café, waar hij het geloof in de wereld verloren had en half zat, zijn frustraties tegen de kale muren te roepen. Oh, wat leek het hem heerlijk om die geestdrift te gebruiken om dan aan het typen te gaan.

Hij snoof nog eens diep en opende toen zijn ogen. Ja, deze kamer zou zijn entreekaartje worden naar de wereld van een grote schrijver. ‘Oh, wat een enige ruimte,’ klonk de stem van z’n moeder, die zojuist de kamer was binnengetreden. ‘Je hebt zelfs een eigen wasbak, dat is erg handig.’ Alfons draaide zich om en aanschouwde zijn moeder. Ze droeg zijn weekend tas met kleding. ‘Hier kom eens, kom eens bij je moeder.’ Ze haalde de weekend tas van haar schouder en zette die op de grond om haar armen vrij te maken voor een wijdse opening. Met geopende armen wachtte ze tot Alfons zich bij haar zou voegen. ‘Nou, laat me je eerste knuffel in je nieuwe thuis geven, schat.’ Zijn moeder omarmde Alfons en zodoende vormde hij het lijdende voorwerp in de zin die haar knuffel duidde. Zijn hoofd werd tegen haar schouder geduwd, en haar zware parfum enterde zijn reukorgaan. Ze zeiden beiden niets, maar hij meende zijn moeder te kunnen horen mompelen. De verstrengeling leek zich verder toe te knijpen en Alfons begon het ongemakkelijk te vinden. Tot zijn geluk zag hij zijn vader met een matras in de deuropening verschijnen. Zijn vader hield even halt op de drempel om zijn liefde te aanschouwen. Hij leek even geroerd van het moment. Dat vond Alfons niet nodig, hij maakte zich los uit zijn moeders houdgreep en merkte luchtig op ‘Jullie zullen het nog lastig krijgen zonder mij thuis.’ Hij liep glimlachend naar zijn vader toe en nam het matras van hem over. ‘Het zal even wennen worden inderdaad. Maar ik denk dat we wel kunnen wennen aan wat meer tijd voor ons tweeën, niet waar Angela?’

Dat was nu reeds een week geleden. Op die zondag hadden zijn ouders hem zo goed als ze konden geholpen met verhuizen. Hij woonde nu in de stad G., in een provincie van ons land dat we met de zelfde eerste letter zullen aanduiden. Zijn ouders woonde aan de andere kant van het land in een arbeiderswijk van het dorpje S. onder de rook van de stad V. Alfons was hier in deze stad om Nederlandse Letteren te studeren. Op het Atheneum had hij zijn plan volledig uitgedacht. In alle overbodige uren die hij daar doorgebracht had, had hij gefantaseerd over het leven van een beginnend schrijver en later, een gerenommeerd schrijver. Zijn plan was duidelijk, zoals zijn grote voorbeeld R. zou hij in een stad moeten wonen. In een stad gebeurt immers zoveel meer dan in een dorp. Het intellect verzamelt zich in de stad. Hij zou zich in goede kringen bevinden, veel drinken en vijanden maken die hij genadeloos kon neersabelen met zijn literaire zwaarden. De studie Nederlandse Letteren zou hem de perfecte basis verschaffen om zijn ambitie te verwezenlijken. En bovendien zou hij kunnen doen wat hij tijdens zijn tijd op het Atheneum het liefste deed: lezen. Je zou zelfs kunnen zeggen dat het zijn hele leven lang het liefste was hij deed, dat lezen van hem. Het begon als een bezigheid die hij gevonden had door gebrek aan andere bezigheden, maar naar mate zijn jeugd gevorderd genoot hij er steeds meer van om in de verhalen in boeken verloren te raken. Maar in de laatste jaren van zijn Atheneum was hij het eens dat het lezen van boeken een pure vorm van voorbereiding was voor zijn leven als schrijver. Zo ook had hij gekozen voor de studie Nederlandse Letteren aan de Universiteit van de stad G.

Maandag, de dag na het weekend dat zijn ouders hem in G. hadden afgezet begon zijn leven als student. Hij werd wakker van de geluiden die zijn mobiel maakte om hem te wekken. Alfons opende zijn ogen. Hij had nog geen gordijnen voor zijn ramen hangen dus hij baadde in het licht. Hij ging recht op op zijn matras zitten en wreef even in zijn ogen om ze wat op gang te helpen. Zijn mobiel hing op een/vijfde deel van een meter van de grond; hij bungelde aan een korte oplaad-kabel in een te hoog stopcontact. Hij griste het apparaat van de kabel af en zette de wekker uit. Hij stond op en liep door de lege kamer naar de wasbak om wat water in zijn gezicht te plenzen. Hij keek in de spiegel en hoewel zijn gezicht toch zo een ruime 40 procent van het beeld besloeg, zag Alfons slechts de kamer in het spiegelbeeld. Hij draaide zich om en glimlachte voldaan. Dit was het begin van zijn échte leven. Vlug kleedde hij zich om en greep hij zijn boekentas die hij om zijn schouder sloeg. Helaas had hij nog geen fiets in deze stad, waardoor hij genoodzaakt was om naar zijn eerste college te lopen. Erg vond het dat niet, een goede wandeling was immers een uitstekende manier om bestoven te worden met inspiratie. Zeker in een, voor hem nu nog, vreemde stad. En dus liep Alfons met zijn lederen boekentas om, door de straten van G., over de klinkers die bedekt waren met een flinter dun laagje natte blaadjes. Het was immers het begin van het academische jaar en de herfst stond op de stoep.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *