Meld je aan voor de nieuwsbrief

Fritz’ kromme rug had vroeger een stuk rechter gestaan.    

Kaldewijn wist ons laatst nog te vertellen dat Fritz zelfs een iet wat vlezig rug had gehad. Terwijl Kaldewijn de rug met flinke hamlappen vergeleek, sprak Fritz over malse runderlapjes. `Ach mens,  waar spreek je over. Mijn rug was een ongekende voorstelling voor je.´

Dat was waar. Fritz´ vlezig rug stamt nog uit de tijd dat Kaldewijn en Fritz weinig contacteerden. 

Het contact ontstond eigenlijk bij hun eerste nachtelijke avontuur: 

De dichte duisternis vulde Fritz´slaapkamer met een ijzige stilte. Het gebrek aan geluid van de benedenverdieping gaf aan dat het huis sliep. Dit was het holst van de nacht.  Hier kon Fritz even van genieten. Hij sloeg z´n lakens van zich af en zette z´n voeten op de koude vloer. Z´n stappen gingen richting het openstaande raam. In de duisternis  die zich buiten bevond zou je geen hand voor ogen kunnen zien. Fritz wist wel beter. In elke duisternis is licht te bekennen. Anders zou het geen duisternis zijn. Dan zou het niets zijn. Leegte. 

Het was in het licht van die duisternis dat hij de eerste glimpen van z´n fantasie te zien kreeg. Hij kneep z´n ogen samen om het beter te zien. Aan de rand van z´n vaders schapenweitje zag hij de reeks wilgenbomen staan die het weitje van de sloot scheidde. Die wilgen waren erg dankbare bomen. Ze zorgden immers voor de takken, waarmee Moeke manden maakte. Ze beschermde de schapen ook van heftige winden uit het oosten. Waarom zou een dergelijke fantasie als degene die Fritz nu kreeg, zo een slecht einde betekenen voor zulke bruikbare bomen? 

Hij wist het niet. 

Om z´n hoofd maar even af te koelen besloot hij maar even een rondje te lopen buiten. Hij omhulde z´n voeten met sloffen en vond z´n weg naar buiten. Buiten aangekomen had hij meteen spijt van het feit dat hij z´n ochtendjas binnen had laten hangen. Met een hand voor z´n keel, om z´n keel te beschermen tegen de kou waar z´n Moeke ´m altijd voor waarschuwde, liep hij richting de wilgen. Even wreef hij over de bast van de eerste boom. Zachtjes waaide de wind door de takken. 

Even overwoog hij alle opties. Toen besloot hij toe te geven aan z´n fantasie. Met twee handen tegen de dikste wilg begon hij uit volle kracht te duwen. Z´n voeten gleden naar achteren door de kracht die z´n lichaam leverde, maar niets opleverde. 

Fritz stopte.

Zette een stap naar achteren, keek nog eens goed naar de wilg en toen verscheen er een kleine krul in lippen. 

´Wat een maf idee. Zo´n sterk stuk natuur, zomaar om te leggen.´

Hij zette nog een stap naar achteren. Fritz keek nu de hele rij wilgen aan. Uit z´n ogen leek een soort verontschuldiging te komen. 

Toen draaide hij zich weer om en zocht zich een weg terug naar huis.

´Wilgen omleggen, pff.´ dacht hij met een glimlach op z´n gezicht terwijl hij het einde van het weitje naderde.

Bij het poortje aangekomen besloot hij ´m vandaag eens niet te openen, maar er gewoon overheen te stappen, zoals z´n vader dat vaak deed. 

Na het weitje was het nog maar een meter of twintig die Fritz moest zien te overbruggen om weer in het knusse huisje te raken. 

Toen hij echter de eerste 8 meter veilig en wel achter de rug had, voelde hij een helse pijn op z´n achter hoofd. ´Wel modverdomme, wat krijgen we…´

En ‘tak’. Weer een pijnscheut.  Daar stond Fritz. Twaalf meter van huis verwijderd met pijnscheuten door z´n achterhoofd schietend.  Hij wreef zichzelf even over z´n achterhoofd, de pijn leek al een beetje te verstommen. ´Hmm, een merkwaardige avond.´ dacht Fritz bij zichzelf. Even keek hij om zich heen, bang dat iemand hem gezien zou hebben. Er was niemand te bekennen en dus liep hij verder naar z´n huis. 

Buiten ontdeed hij z´n voeten van z´n sloffen en klopte deze even goed uit. De modder uit het weitje had het schoeisel niet onberoerd gelaten.  En weer, die pijn.  Tak en plof. 

Fritz zag nog net het steentje wat  z´n hoofd raakte op de grond vallen. 

´Verdomme nog aan toe. Iemand loopt me hier te bekogelen.´

Fritz rechtte z´n rug en draaide zich om. Klaar om z´n tegenstander recht in de ogen te kijken. 

Een twintigtal meters verscholen achter een weelderige taxusplant, zag hij een jong meisje met een witte japon aan.

Fritz stond te staren en hij wist het. 

Het meisje zat daar onbeweeglijk. Ze keken elkaar aan. 

En toen leek het meisje even te bewegen. Ja, Fritz zag haar rechter elleboog een beetje naar achteren verplaatst worden.

En toen, voor dat Fritz er erg in had, kreeg hij een steentje tegen z´n voorhoofd geworpen. 

´Vervloekte ellendeling! Smeerlap! Tuigkind!´ Tierde Fritz.

En TAK, nu weer een tik op z´n achterhoofd. 

´Hou effe je gemak´ sprak z´n vader, die ´m net een klap op z´n achterhoofd gegeven had, ´vloeken doe je maar in de kerk.´

´Hier´, vervolgde vader terwijl hij Fritz een emmer in z´n handen duwde, ´trek d´n werkkleding an en volg me nar de knollenmachine. ´  

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *