Meld je aan voor de nieuwsbrief

Foto via: hammadichakouath

Het was donderdagochtend en Alfons werd gewekt door de toxide combinatie van een welverlichtte slaapkamer en een rinkelende wekker. ‘Geef me de naam van de persoon die tegen dat dodelijke tweetal bestand is en ik zal hem op zijn schouder kloppen’, dacht Alfons.

Zijn mobiel, die als wekker diende in deze situatie, bungelde mistroostig aan de oplaadkabel tot vlak boven de grond. Alfons gooide in een vlugge beweging de lakens van z’n lijf en plotseling was hij niet meer beschermd tegen de vrij ijzige kou die de atmosfeer van de kamer in z’n greep hield. De koude lucht lag direct op Alfons’ naakte lichaam.

Aangezien de waarheid verteld dient te worden in verhalen zoals deze, zou ik graag willen vermelden dat ‘naakte lichaam’ in de vorige zin vertaald moet worden naar ‘naakte lichaam, uitgezonderd van een onderbroek’. Lang lag Alfons daar niet in die situatie, want hij was geen bijzonder groot liefhebber van het ondergemiddelde temperaturen in de eerste minuten van zijn dag. Vlug sprong hij uit zijn bed, rukte zijn mobiel uit de oplader om de wekker te stoppen en begon zijn lichaam te voorzien van een beschermende laag, bestaand uit één paar zwarte sokken, een zwarte pantalon, een wit hemd en daaroverheen een wollen trui die grijs van kleur was.

De jonge student was tevreden met de vergrootte afstand tussen zijn lichaam en de kou van zijn kamer, die overigens via de ramen naar binnen drong.

De kamer van Alfons lag aan de voorkant van de woning, vlak boven de voordeur. De ramen waren voorzien een enkele laag glas, wat op zich zelf geen grote isolerende werking heeft, wilde het niet dat er enkele ruitjes ook barsten bezaten, die de vorige bewoners hadden achter gelaten. Met name via die barsten kwam er geregeld een zweem koude lucht naar binnen gewaaid.

Met het water dat uit de kraan kwam die boven de wasbak van z’n kamer hing, friste Alfons zijn gezicht op en streek hij z’n haren mee naar achteren.

Met de tandenborstel verschoonde hij zijn tanden en daarna voelde hij zich gereed om zijn kamer te verlaten. Hij trok zijn overjas aan en sloot de deur van zijn kamer achter zich. Hij liep naar de voordeur, alwaar hij een drietal dozen van een welbekend koeriersbedrijf aantrof die aan hem geadresseerd waren.

‘Ah, juist, mijn boeken!’

Alfons’ kamer mocht dan schraal gemeubileerd zijn, aan boeken was er geen gebrek. Iedere week kwamen er diverse nieuwe exemplaren bij, die daarna her en der door zijn kamer verspreid raakte.

Sommigen lagen nog in de doos van de koeriersdienst, zodat Alfons nooit echt zeker was welke boeken hij nu in bezit had. Het tempo van bestellen lag tenslotte vele malen hoger dan zijn leestempo.

Vlug pakte hij de drie dunne doosjes op die bij de voordeur lagen en liep terug de trap op naar z’n kamer om de doosjes bij de andere doosjes te voegen en vervolgens zijn tocht naar buiten weer te hervatten.

Buiten aangekomen liep hij allereerst naar de Albert Heijn, alwaar een nieuw pakje sigaretjes gehaald werd, waarvan er dan direct weer een tussen die lippen gestoken werd. Al rokend liep Alfons in een goede bui door de stad.

Hij voelde zich een hele man. Een ware schrijver. Slenteren door de stad, zijn handen vrij, observeren en verder niets dan af en toe een sigaretje roken.

Onderweg naar zijn college stopte hij nog even bij de kleine kiosk die zich op het Rapendammerplein gevestigd had om de ochtend editie van de Het Repelerend Dagblad te kopen.

En zo kwam het dat Alfons enkele momenten later met zijn handen in de zakken van zijn jas en een krant onder zijn oksel gestoken, het bordes van het Landgebouw betrad, waar Alfons een college te volgen had.

Eenmaal in de collegezaal, koos Alfons zich een prominente plaats in het midden van zaal uit, waar iedereen hem kon zien zitten. Hij ontdeed zich van zijn jas, die hij sierlijk over de stoel voor hem wierp. Vervolgens klapte hij Het Repelerend Dagblad uit, een handeling waar relatief veel geluid bij kwam kijken wanneer je het bijvoorbeeld vergelijkt met het openen van een boek.

Een boek had Alfons dan ook niet mee. Hij achtte zichzelf intelligent genoeg om de stof per slag te onthouden. Nadat de dienstdoende professor zijn lectuur in gereedheid gebracht had was hij begonnen was met het opdreunen van zijn door de Sleur aangetaste verhalen.

Wachtend tot het einde van die eerste minuten, las Alfons het eerste artikel op de achterzijde van zijn dagblad. Het artikel betrof een introspectief van een Deense varkensboer die zich schuldig had gemaakt aan bestialiteit met zijn eigen vee.

De arme veehouder woonde in het afgelegen dropje Sønder Vium en was drie maanden geleden weduwnaar geworden. Na de verschrikking van de dood van zijn wederhelft had hij troost gevonden in de warmte van het vette varkensvlees.

Hij was in hechtenis gebracht nadat hij tijdens de daad betrapt was door een kleine groep biologen van de universiteit van Odense, die in de regio onderzoek deden naar het broedgedrag van de Zuid Deense Koerlewipper.

Tijdens het interview met de krant had hij moeten bekennen dat hij niet bekend was met de Deense wetten aangaande bestialiteit. Hij liet ook weten de wetten niet goed te begrijpen, enerzijds doordat hij behoorlijk stompzinnig was en anderzijds doordat hij het er niet mee eens was.

In zijn ogen kon je beter een levende zeug in de poes naaien, dan je mannenzwaard tussen twee levenloze hamlapjes uit de supermarkt wrijven.

Die twee hamlapjes hadden immers geen leven meer in zich en de kans dat een varken kan genieten van de geneugten van het minnenspel is nu eenmaal vele malen kleiner wanneer het dood is. Je kunt dus beter met een levend varken de liefde proberen te delen.

Om zijn standpunt kracht bij te zetten wilde hij graag de de krant een citaat van de 18de eeuwse Deense dichter-filosoof Alf Knutson zou afdrukken bij het artikel. De krant bleek welwillend geweest te zijn aangaande dit verzoek, want Alfons was in staat het beschreven citaat te lezen in zijn exemplaar van Het Repelerend Dagblad:

“In de dood vinden we verzachting 

van de harde randen, 

die het einde beschrijven.

Tussen jouw dijen vind ik, naar verwachting, 

warmte en weelde.

Ach, al is het dood of nog in leven,

het is me allemaal om het even.”

‘Opmerkelijk,’ dacht Alfons, ‘hoogst opmerkelijk. Een boer die zichzelf als stompzinning beschrijft, maar toch met zo een citaat van zo een, weliswaar onder stof bedolven, maar toch grote Deense filosoof op de proppen komt. Zoiets zal vast niet vaak voorgekomen zijn. 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *