Meld je aan voor de nieuwsbrief

Na een kortstondige wandeling door de stad, die voor de vertelling van het verhaal van verwaarloosbaar belang is en derhalve achterwege gelaten zal worden, arriveerde Ramon en Alfons tezamen in de woning waar Ramon woonde. Beider jongens ploften neer op een bank in de woonkamer. De tafel in hun midden was bezaaid met objecten die men zoal in studentenwoningen vind, te weten: twee asbakken die overliepen van overblijfselen van eens nieuw geachte rookwaar, verschillende glazen die voor de helft gevuld waren met niet nader duidbare dranken, enkele legen flesjes bier van brouwerijen die zich in het zuiden van ons land situeren, pakjes lange vloeitje, een bong en een reeks borden met voedsel in verschillende staten van ontbinding. Wat deze tafel als Ramons definieerde, waren de schijnbaar ongeorganiseerde stapels boeken die verspreid lagen over het meubelstuk. Het was een bijeenraapsel van auteurs die men niet snel in een ruimte samen aan zal treffen. Er lagen boeken van Foucault, Baudrillard, Marcuse, Scruton, Wittgenstein, C.S. Lewis en Johan Huizinga, als ook minder filosofisch georiënteerde werken van Elschot, Reve, Dijkshoorn en Brusselmans. Alfons bewonderde deze diversiteit aan literaire werken. Het tekende een zeer gebalanceerd beeld van Ramons geest die een oppervlakkige beschouwer wellicht zou missen. De eigenaar van de boeken had ondertussen een notitieboekje van tafel genomen en opengeslagen op de eerst blanco pagina vindbaar. Hij schreef met een klein potloodje enkele woorden in het boekje en legde het weer weg, met een grijs op zijn gezicht.

‘Wat heb je zojuist opgeschreven?’ vroeg Alfons zijn kameraad. Terwijl Ramon zich focuste op het draaien van een sigaretje van een pakje sjek dat hij op de tafel gevonden had, zei hij: “Ik schreef op: ‘We zouden alle Joden dood moeten trappen’, dat leek me een mooie leus die onze conversatie van eerder samenvatte.” Ramon keek onder zijn wimpers naar Alfons reactie, die leek instemmend te knikken. Ramon stak zijn sigaret aan en Alfons had ondertussen ook een kankerstaafje tussen zijn lippen gefriemeld. Samen rookten ze zwijgend hun eerste trekjes. Alfons probeerde de titels van de boeken in de kast te lezen, maar moest concluderen dat zijn ogen teleurstellend functioneerde op deze afstand. Ramon zat voorovergebogen op de bank en tikte met zijn wijsvinger periodiek op de salontafel. Na een tijdje vroeg Alfons: ’Zal ik wat muziek draaien?’ ‘Nee, dat hoeft niet.’ Zei Ramon.

Een aantal minuten later vroeg Ramon aan Alfons: ‘Wat vind jij van de opkomst van hiphop als een algemeen geaccepteerd muziek genre?’ Terwijl Alfons naar de tafel boog en zijn peuk in een asbak onschadelijk maakte, zei hij, ‘Ik heb tot zekere hoogte wel affectie met het genre, het liefst luister ik naar flinke negers uit Amerika, die hebben mijn inziens een overtuigende daadkracht in hun woorden liggen. Wat hier in Nederland geproduceerd wordt heb ik minder mee van doen. Een kleine witte jonge die woorden uitspuugt waarin hij zegt dat hij scherpe objecten tussen de steriele benen van een meisje uit een tweeondereenkap-woning in Overvecht wilt persen spreekt minder tot mijn verbeelding.’ Ramon ging wat verzitten en moest dat beamen, ‘Ik vrees ook dat de Nederlandse hiphop scene slechts een product is van de Amerikaanse consumptie maatschappij, onder wiens rook wij toch leven. Het is van daar naar hier gebracht en nu luistert iedereen er naar. Zo gaat dat als cultuur een product wordt en de wereld, door de gulzige hebzuchtige globaliserende werking van het kapitalistische systeem, één grote markt is. Er zijn veel mensen die er naar luisteren en welhaast nog meer mensen die dat soort muziek wagen te maken. Met creativiteit heeft het weinig van doen, het is veel eerder een economisch fenomeen. De muziek waar ik het nu over heb is losgetrokken van de bevrijdende kracht die Marcuse in zijn werken beschrijft en dat maakt het dus geen onderdeel meer van de kunsten, maar kun je het beter benaderen vanuit een economische perspectief. Het zijn veelal producten wat je voorbij ziet komen.’ Alfons stond op en liep naar de geluidsinstallatie en verbond zijn telefoon met loshangende aux-kabel. Hij scrolde door de Spotify-app, op zoek naar het nummer ‘Wolves’ van Kanye West. Alfons bleef bij de geluidsinstallatie staan terwijl het lied van de neger begon. ‘Hier zit een onovertroffen stukje literatuur in Ramon, hij komt er zometeen aan.’ Ramon ging recht op zitten en luisterde aandachtig. De minuut die volgde leek meer seconden te bevatten dan de gebruikelijke zestig die men doorgaans in een minuut aantreft. Ramon probeerde niet te bewegen en keek strak naar niets in het bijzonders, dat op de tafel lag, om duidelijk te maken dat hij aandachtig aan het luisteren was. Onderwijl het wachten, verplaatste Alfons het gewicht van zijn lichaam van zijn rechter been naar zijn linker been en jeukte even aan zijn elleboog. Hij had die ochtend staand een worst gegeten, met de koelkastdeur open. Die daad op zichzelf had hij behoorlijk provocatief gevonden, te weten dat hij kennissen op verjaardagen vertelde dat hij zeer begaan was met het milieu op de aarde. Graag vertelde hij over zijn aangepaste dieet, waarin voor vlees weinig ruimte was en dat hij slechts nog met koud water douchte. Nu is de cinematografische relativeringskracht een van de sterkst aangeboren eigenschappen van een schrijver, vandaar dat Alfons op verjaardagen zo mooi kon verbloemen dat hij geen geld had voor vlees en z’n boiler al weken defect was. Enfin, het punt dat gemaakt moet worden is dat staand een worst eten voor een openstaande koelkast volledig indruist tegen de principes van zelfverklaarde milieuvriend. Ramon verslapte zijn staar nu en keek hoopvol richting de geluidsinstallatie. ‘De line komt zo,’ beloofde Alfons, en hij begon alvast lichtjes met zijn hoofd te schokken op de maat van de muziek, om de illusie te wekken dat hij de muziek voelde. ‘Jaja, daar komt hij!’ En daar kwam Kanye, kankerhard: ‘You tried to play nice, everybody just took advantage, you left your fridge open, somebody just took a sandwich’. Alfons begon keihard te lachen, terwijl Ramon nog bedenkelijk naar de geluidsinstallatie staarde. ‘Ah, kom op, dat is toch onmetelijk?’ probeerde Alfons een reactie te ontlokken bij zijn kompaan. Ramon liet een smalle glimlach ontglippen, greep zijn eigen kin vast en draaide zijn hoofd naar Alfons: ‘Alfons, dit is toch ongekend simpel? Hoe kan hiphop zo doorziekt zijn dit soort simpele one-liners? Het slaat eigenlijk toch nergens op?’ Voordat Ramon in een betoog over songteksten kon afsteken, wierp Alfons tegen: ‘Nee, je slaat de plank mis! Dat simplistische is stijl, geen onkunde. De schittering van deze lines wordt opgepoetst door de bijna kinderachtige en schattig grappige metafoor. Het is zo toegankelijk en breekbaar en ongelofelijk herkenbaar. Is dat niet de kracht van literatuur?’ Daar moest Raman Alfons gelijk in geven, ‘hmm, ja, dat is geen slechte uiteenzetting kerel. Ik zie daar wel heil in, hoewel ik zeer wel van mening ben dat het algemene literaire niveau van de hiphop omhoog geschroefd kan worden, wellicht ligt hoge literatuur niet in direct verband met de kern en oorsprong van hiphop, maar nu het toch een economisch product geworden is, is het eigenlijk aan ons om het van de mainstream terug naar de underground te nemen, nietwaar?’ Ramon sprong op en jublede: ‘Alfons, dit is een fabuleuze mogelijkheid voor ons, we kunnen muziek weer deproductiseren! Wij zijn schrijvers, het is aan ons om teksten te gaan schrijven voor hiphop artiesten, en zo een hybride variant van hiphop en literatuur te maken die het terug brengt naar de wereld van de kunsten!’ Alfons ogen sprankelde, Ramon rechtop op in een uitsterft actieve houding en beide heren voelde de euforie door hun aderen heen stromen. Dit was een uitgelezen mogelijkheid om hun een naam op te bouwen.

Met name voor Alfons was dit een speciaal moment, hij was als verse jongen uit een klein dorp uit de provincie L. in de grote stad G. komen te wonen met grote ambities en dromen, maar zonder een wezenlijk staat van diensten. Hij had nog nooit iets gepubliceerd, noch had iemand ooit van zijn werk gelezen of gehoord. Het was puur het vuur in zijn hart dat hem de overtuiging bij bracht dat er een groots schrijver in hem schuilging. Het persoon Ramon had hem dan ook vanaf het eerste moment gefascineerd. Ramon was de kleinzoon van Gerard H. Cornelissen, de grote vaderlandse Neerlandicus en de bekendste dichter die de stad G. ooit had voorgebracht. Er stond een standbeeld van hem op het Centrale Marktplein en bepaalde werken van hem werden tijdens de colleges van hun studie behandeld. Het standbeeld was een bronzen beeld van een statige man van statuur met een lange over jas aan, een hoed op z’n hoofd en een boek op z’n hoofd. Zijn blik keek naar beneden, neer de duiven van het plein. Later in dit verhaal zal er een aanvaring met dit standbeeld komen, maar omdat de schrijver een liefhebber is van chronologische verhalen zal die scene later pas verteld worden. Wat niet veel studenten wisten, maar wat Ramon Alfons persoonlijk had toevertrouwd, is dat hij dus de kleinzoon van G. H. Cornelissen was. Literatuur was iets erfelijks gebleken, want vader Philip was eigenaar van de uitgeverij Artelominus, die hij op 22-jarige leeftijd gestart was na het succesvol afronden van zijn opleiding Literaire Productie Processen aan de Rijksuniversiteit te G. De eerste loopjongen die hij aannam, bleek achteraf een meisje te zijn en na het loopmeisje diverse malen achterwaars in de poes genaaid te hebben in het magazijn der uitgeverij, waren de twee getrouwd en hadden ze een boerderij onder de rook van G. betrokken waar Geraldine, want zo heette het voormalige loopmeisje dan wel loopjongen, haar tijd verdeed met haar siertuin en Philip de tijd nam om eindeloos aan zijn debuut dicht bundel te schaven. Uit het huwelijk, dat uit een ongelijke machtsverhouding op de werkvloer was ontstaan, was Ramon als enig kind voortgekomen, die als vanzelfsprekend, opgegroeid was in een overvloed aan literatuur. Van jongs af aan was hij zelf ook actief bezig met de materie, wat bleek uit de grafrede die hij voor zijn overleden cavia schreef op 6-jarige leeftijd en waarin het concept van de dood verhelderende uiteengezet werd en op schitterende wijze soelaas bood aan alle nabestaanden. Op de middelbare school was hij als lid van de schoolkrant als een van de productiefste schrijvers actief en publiceerde hij op zijn 16de zijn eerste dichtbundel uit genaamd ‘Oedipoes, mijn moeders flamoes’. Het erotische perspectief van een 16-jarige puber neigt al gauw ordinair en vunzig te worden, maar Ramon’s werk werd lyrische ontvangen met lauwerende superlatieven als ‘goed’, ‘mooi’ en ‘leuk’. Nog voordat hij zich, net als Alfons, had aangesloten bij de studie Nederlandse Letteren en Literatuur in zijn thuisstad G., had hij zich al in de literaire kringen van de stad begeven. De periode van zijn leven tussen zijn 16de en zijn 18de levensjaar was hij regelmatige te vinden in het literaire cafe De Ganzennek, op het einde van het welbekende en reeds eerder vermeldde Straten. Tijdens deze cafe-bezoeken had hij de levensbedreigende hobby van het roken opgepakt en was hij in contact gekomen met diverse inspirerende figuren en hun gevolg. Iconisch was de ontmoeting met Bertus Overvlied, op dat moment en dan spreken we dus over een aantal jaren voorafgaand aan het huidige verhaal (wat zich dus nu afspeeld), een van de meest vooraanstaande schrijvers die ons land rijk was (God hebben zijn ziel, mocht hij sterven in de nabije toekomst). Bertus was een intimiderend persoon, een man van statuur, een autoriteit in het literaire cafe en daarnaast ook een fervent alcoholist. De eerste keer dat Bertus Ramon in zijn blikveld gevangen had, had de auteur op een tafel van De Ganzenbek gestaan en was hij verwikkeld geweest in een furische betoog over de huidige stand van de literatuur (dat wil zeggen: op dat moment huidige en nu dus gedateerd). Bertus had met z’n dronken kop het 16-jarige joch bij hem op de tafel getrokken en iedere bijstander er op gewezen op de tijdelijkheid van het leven en succes en hen op de druk van de nieuwe generaties gewezen, die alle aanwezigen in het cafe onvermijdelijk zou vervangen op den duur. Vanaf dat moment was Ramon een algemeen geaccepteerd figuur in de literaire kringen van G. geworden en was hij toegetreden tot het schrijvers collectief De Doven, schreef hij voor het blad De Onnozele Geit en had hij diverse andere projecten lopen waar hij zich van tijd tot tijd mee bezig hield. Tegen de tijd dat Ramon aan zijn studie aan de universiteit was begonnen, had hij een balans gevonden tussen het lezen van vele boeken, het al rokend slenteren door de straten van G., het drinken en discussiëren in De Ganzenbek, en het schrijven van nieuwe stukken voor De Doven en De Onnozele Geit. En zo kwam het dus dat naast Alfons, die bijzonder content was met zo een indrukwekkende kompaan, ook Ramon erg gelukkig was met zijn nieuw gevonden vriend, iemand van zijn eigen leeftijd met wie hij zich op een niveau kon onderhouden die hij niet vond in het De Ganzenbek.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *