Meld je aan voor de nieuwsbrief

Foto via het Noord-Hollands Archief

Toen hij zijn nek draaide keek hij naar Ramon’s gezicht, die zich naar boven keek. Naar het beeld van zijn grootvader.  ‘Geil hé?’ merkte hij op. Dit was Ramons manier van stiltes verbreken. Het proberen van een ongemakkelijke situatie te creëren door het ontbloten van het moment.

‘Ontzettend,’ beaamde Alfons. Ze keken elkaar aan en grinnikte even. ‘Wat brengt jou hier naar het Centrale Marktplein, beste kerel? Hoor je niet in de collegebanken te zitten?’ vroeg Ramon.

‘Nee, nee, ik bedacht me dat ik dringendere zaken te voltrekken heb, dus ik ben uit het college vertrokken.’

‘Haha, schittermagisch, ben je te midden van het college opgestaan en vertrokken?’ Alfons trok zijn jas wat recht en bevestigde toen: ‘Ja, zo moet het ongeveer gegaan zijn. Ik kan niet zeggen dat ik er volledig bij was met mijn hoofd. Mijn gedachten waren namelijk volledig in beslag genomen door materie van een heel andere magnitude van urgentie.’

Ramon sloeg zijn arm nu weer om Alfons heen en zei: ‘Dat klinkt allemaal uitermate interessant kerel, laten we die materie eens bespreken in De Valse Droeftoeter. Ik lust wel een biertje, wat jij?’ Alfons grinnikte en met Ramons hand nog op z’n schouder, zetten ze de eerste passen naar de Valse Droeftoeter. 

Het kwam niet in Alfons op om Ramon te vragen waarom hij zelf niet aanwezig was bij het college. Hij wist dat Ramon zijn eigen plannen had en niet altijd een heel duidelijk aanwijsbare reden had om iets te doen of te laten.

Naar mate de twee jongens elkaar beter hadden leren kennen was Alfons minder gaan vragen aan Ramon, iets dat Ramon opvatte als een waardevolle ontwikkeling van hun vriendschap. Het maakte het status verschil tussen de twee minder apert, waardoor Ramon zich beter op z’n gemak voelde bij Alfons.

Ramon was gewend dat mensen hem anders bejegende omdat hij een telg was uit de literaire Cornelissen-familie. Het was een gegeven dat hij verder ook niet onder stoelen of banken stak, want er was geen ontkomen aan. Toch bracht het hem in een lastige spagaat, want hij wilde oprecht zijn in zijn interesse in de literaire wereld, maar daar werd hij dikwijls in belemmerd door zijn achternaam.

In de eerste plaats werd hij achtervolgd door de achterdocht van mensen die veronderstelde dat zijn interesse in de literatuur op een kunstmatige wijze bij hem geïnjecteerd was, in plaats van een natuurlijke ontwikkeling van uit het vuur van zijn ziel die veel mensen bij zichzelf meende te constateren.

Ten tweede was er ook de achterdocht vanuit Ramon’s kant. Bij iedere relatie in die hij aanging moest hij de oprechtheid wegen. Onoprechtheid was een factor waar Alfons in al zijn provinciale naïviteit volledig van gespeend was.

Zijn bewondering voor Ramon en zijn familie was oprecht, maar die bewondering was slechts een onderdeel van de algehele admiratie die de jongen had voor alle indrukken die hij opdeed in de grote stad en op de universiteit.

Dit verschil in nuance maakte Alfons een prettige vriend voor Ramon. De speelse naïviteit van Alfons stond de ietwat hoogdravende houding van Ramon zeer wel en bood hem de mogelijkheid om tijdens hun interacties te kunnen blijven schakelen tussen de rol van enthousiaste deelgenoot in de ontdekking van de literaire wereld en anderzijds de rol van de oudere broer die reeds een stapje verder staat in de ontwikkeling. 

Een aantal stappen verder arriveerden de twee studenten in cafe De Valse Droeftoeter. Ze waren gaan zitten op twee barkrukken aan de bar, recht voor de ingang van het etablissement.

De Valse Droeftoeter was nu eenmaal geen tent waar je veel tijd moest besteden aan het uitkiezen van een goede zitplek. De reden daarvoor laat zich beschrijven door de stelling dat het simpelweg een troosteloos cafe was, waardoor het verschil van kwaliteit tussen de zitplekken al snel gemarginaliseerd werd.

Beider pinten stonden te druipen op de bar naast hen, terwijl Alfons het krantenknipsel uit zijn zak haalde. ‘Welnu, Ramon, het zit zo: ik ben vanochtend uit het college vertrokken omdat ik dit artikel in Het Repelerend Dagblad gevonden had.’

Voorzichtig streek hij het artikel glad op de bar, maar hij kon niet voorkomen dat er bier trok in de rechterzijde van het papier, ‘Godverdomme kutbier,’ vloekte Alfons binnensmonds.

‘Nee nee, kutbier drinken we vanavond Alfons,’ corrigeerde Ramon hem terwijl hij een sigaret opstak. Alfons keek hem geïrriteerd aan, ‘laat me eerst dit artikel beschrijven, dan kun je dan je vunzige plannen presenteren.’

Zijn gesprekspartner blies achteloos wat rook uit zijn longen en knikte. De nonchalante houding van Ramon bracht Alfons aan het twijfelen, hij wist niet zeker meer of hij Ramon deelgenoot wilde maken van zijn ontdekking.

Ramon was op dit moment niet in een literaire bui, integendeel, hij was uit op een wilde avond uit de boeken. Wellicht was het beter om deze zaak te laten rusten en Ramon te volgen in zijn vunzige plannen. 

Alfons herpakte zich op een schitterende wijze door een laatste maal over het artikel te wrijven en daarbij een hele veeg bier door de tekst heen te trekken. ‘Godverdetering, kut papier! Waarom maken ze geen kranten van fatsoenlijk papier in deze stad?’ 

‘Hoe bedoel je? Gebruiken ze nog klei tabletten in jouw dorp dan?’ kaatste Ramon direct terug. Fijn, het onderwerp is bijna verschoven, dacht Alfons. ‘Alright, vertel me over de kutbier plannen voor vanavond Reemun.’ 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *