Meld je aan voor de nieuwsbrief

Alfons had Ramon ontmoet in de pauze van een van eerste colleges van het jaar. Ze hadden beiden de energieke bewegingen en woorden van het enthousiasme der eerstejaars studenten niet kunnen dulden en hadden, individueel van elkaar, besloten naar buiten te gaan. Op het bordes van het auditorium had Alfons Ramon aangetroffen. Ramon zat op de eerste treden van de trap, zoals immer stak er een sigaretje achter zijn oor. Een gelijkend sigaretje werd geproduceerd in zijn handen. Alfons had een staande, faux-nonchalante houding aangenomen, naast de deur. Ook hij had rustig een sigaret aangestoken. Ramon reageerde op het geluid dat vrijkwam bij het rollend metalen wieltje over het vuursteentje van Alfons’ aansteker. Ramon had zich half omgedraaid en Alfons recht aangekeken, terwijl die juiste een diepe teug teer tot zich had genomen. Ramon knikte zijn hoofd en had zoiets gezegd als ‘Wat een kankerbende daar binnen hè’. Alfons had niet anders kunnen reageren dan met een instemmende knik van zijn hoofd. Nadat Ramon zich weer omgedraaid had, hadden ze beiden minutenlang niets meer gezegd. Tot het moment waarop Alfons zijn rug rechtte en Ramon had aangesproken om te zeggen dat het college voortzetting zou vinden. Zonder zich tot Alfons te wenden, had Ramon gesproken: ‘Bedankt voor attentie, ik zorg dat ik binnen kom.’ Roerloos was hij vervolgens blijven zitten. Alfons was een aantal tellen vertwijfeld blijven staan, wachtend op Ramon, maar die scheen geen actie te ondernemen. Toen was Alfons in z’n eentje teruggekeerd naar het college.

Een krap anderhalf uur later was het tweede deel van het college geëindigd en bewoog de mensen massa, die zich eerst in de zaal van kennisoverdracht bevonden had, zich door de gangen richting de uitgang van het gebouw. Onder hen bevond Alfons zich, aan de staart van het beest hing hij, langzaam meedeinend, nooit volledig los latend. Tot het moment kwam waar de uitgang zich aan het gezichtsveld toonden en Alfons zijn tred versloomde. Hij stak zijn hand in de zak van zijn jas, onderwijl hij de slome tred aanhield. De constellatie aan de binnenkant van zijn jaszak volgde als volgt: zijn hand omklemde losjes het pakje sigaretten, in zijn hand draaide het pakje sigaretten, de bovenkant van het pakje sigaretten bevond zich nu reeds in de buurt van zijn duim, wat voor veel mensen de juiste oriëntatie van een pakje sigaretten zou betekenen. Vanuit deze positie werd de bovenkant van het pakje open gewipt en de dichtstbijzijnde sigaret werd tussen twee vingers genomen. Eenmaal uit het pakje genomen, werd het pakje gesloten en de hand vertrok weder uit het de jaszak. Alfons pauzeerde zijn versloomde tred en gebruikte zijn aansteker om de sigaret te ontsteken. De hal voor hem was inmiddels leeg en Alfons kon nu met een tevreden glimlach op zijn gezicht de deur openen en naar buiten stappen. De frisse lucht tegenmoet.

‘Alfons Wiedemeijer, oude vriend, je bent reeds wedergekeerd.’ Bij het geluid van de opening van de deur had Ramon zich omgekeerd en bij de herkenning van Alfons’ gelaat had hij de eerder genoemde zin uitgesproken. Alfons hield halt. Hij was lichtelijk verbaasd. Ramon had zijn lichaam sinds hun eerste ontmoeting niet verplaatst en als resultaat daarvan zat hij nog steeds op de zelfde plek op het bordes. Op het bordes lag een kringetje opgerookte sigaretjes en in het midden vond Alfons Ramon, die hem lachend aankeek.

‘Je bent mijn tas en jas vergeten mee te brengen, oude pik.’ Alfons dacht na. Achter hem werd de deur geopend en kwam een grijze professor, lichtelijk voorovergebogen naar buiten gelopen. Hij mompelde ‘excuseert u me’, terwijl hij met een boogje om Alfons heen liep. Alfons stapte op zij en keek verbaasd naar de professor en toen weer naar Ramon. De zittende jongen sprong direct recht op bij het zien van de professor en gooide zijn peuk achter zich weg. ‘Goedendag meneer, hoe maakt u het? Erg sterk college vandaag!’

De gebogen man draaide zich en keek zoekend om zich heen tot hij Ramon’s gestalte zag en hem aankeek met een lach op zijn gezicht. ‘Oh, dankjewel jongeheer [Cornelissen], dank je vriendelijk.’ De man knikte vriendelijk en liep toen weer, goed gemutst en licht doorbogen, door. Ramon liep nu naar Alfons toe en sloeg zijn arm om hem heen, ‘Kom wij gaan mijn spullen op halen.’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *