Meld je aan voor de nieuwsbrief

Kaldewijn was één maal naar de markt geweest om de pulpknollen te verkopen. Fritz was thuis gebleven. Nu vragen jullie jezelf af ‘Waarom één keer? Ging er iets mis? Hield ze niet van de geur van de viskraam die naast haar stond op de markt? Is ze kreupel?’ Wel, dat wordt nu verteld.

Het was in de dagen dat de vorst op het gras bleef hangen en de aarde flink hard was. Af en toe sneeuwde het zelfs een beetje. Deze morgen echter niet, het was slechts heel koud. 

Kaldewijn had een week geleden nog een mooie donkerblauwe sjaal gebreid en die sloeg ze nu dan ook om. Haar handen waren in handschoenen gestoken en haar oren met een must bedekt. 

Ze had er zelf op gestaan om naar de markt te gaan deze dag. 

Fritz was immers een beetje verkouden en had bovendien een gebroken rug. Fritz had knorrend ingestemd, als ze maar op z’n minst 17 kilo knollen verkocht. Dat leek haar geen probleem. En zo kwam het dat Kaldewijn om 6u in de ochtend over de dijkweg een kruiwagen vol pulpknollen naar de markt duwde. 

Ze passeerde net een plek in de dijk waar zichtbaar een stuk vanaf gevallen was. Zou het hier zijn waar Fritz twee dagen geleden  z’n rug brak? Kaldewijn wist het niet.

Fritz was ook op weg naar de markt geweest toen er een los geslagen paard op hem af was komen rennen. Fritz had het niet in de gaten gehad, maar het paard had Fritz nog net kunnen ontwijken. Wil het niet dat er nog een wagen achter het paard hing. De wagen was Fritz z’n kant op gevallen, met Fritz z’n rug er onder en toen van de dijk af gegleden. Kaldewijn had gezegd dat hij nog van geluk had mogen spreken dat ze niet aan de waterkant er vanaf gegleden waren. Fritz had slechts gegromd. 

Even later kwam Kaldewijn weer z’n gat in de dijk tegen, dit maal aan de waterzijde. Daar kon het dus niet geweest zijn.

Kaldwijn kon de kerktoren van Sint Oedengewals al zien. 

Ze had nog even overwogen om naar de markt in Trekum te gaan. Daar had men een overdekte markzaal, waar ’s winters ook vuur aanwezig was. Fritz had dit echter ten strengste verboden.

‘In Trekum wemelt het van het tuig.’ ‘Het heet niet voor niets ‘Trekum’, det is een verbastering van “Trek ‘m” wat dan weer stut voor het feit dat ze graag un mes trekke als de zaken niet gaan als gewenst.’ “Pas op of ik trek ‘m!’ roepen ze dan.’

Kaldewijn nam aan dat Fritz dat laatste een keer in een kroeg opgevangen had.  Ze geloofde er zelf namelijk niets van. Maar trouw als ze was aan haar man ging ze niet naar de Trekum. Sint Oedengewals was ook dichterbij, en hoe eerder ze thuis was hoe beter. Ze liep het dorpje binnen. Veel was er niet. Een bakkerij, maar geen slager. Een kerkje, maar geen pastoor. Een weg zonder klinkers en een bevroren fonteintje recht voor de kerk.

De meeste verkopers stonden er al. Het middelpunt van de markt lag voor de bakkerij. Daar konden ze nog een beetje warmte van de ovens meekrijgen en waren de geuren goed te verdragen. Zelfs als je langs de viskraam stond. 

Kaldewijn was laat. De beste plekjes waren al vergeven. Ze had geen zin om zich al te ver van de bakkerij vandaan te positioneren, dus besloot ze een plekje naast de viskraam te kiezen. De visverkoper was een man uit Grubbenvorst en was altijd als eerste op de markt. Hij stond dus ook vrijwel altijd recht voor de bakkerij. Doordat de vis zo’n misselijkmakend smerige geur verspreidde, stonden er aan weerszijde van de kraam geen verkopers. Kaldewijn greep daarom haar kans en zette de kruipwagen rechts van de vis neer. Ze riskeerde hiermee wel wat minder klanten, maar ze had het dan wel enigszins warm. 

In het eerste half uur op de markt had ze als 6 kilo knollen verkocht. ‘Zou Fritz ooit zo veel kilo hebben verkocht binnen een half uur?’ Vroeg ze zich af. Vast niet. Kaldewijn vond zichzelf een goed verkoper. Ze besloot dat ze wel een beker warme wijn had verdiend. Ze kwam op dit idee doordat er net een man voorbijkwam die bekers warme wijn verkocht. 

‘Euuy werme wijn!’ riep de visman. De wijnverkoper trok een gezicht. Met zichtbare tegenzin liep de man richting de visman. Hij hield z’n kist met wijn erg dicht bij z’n neus. Kaldewijn vermoedde dat dit was om de stank van de vis tegen te gaan. 

‘Knal us wat glaaskes vol menneke’ zei de visman. 

‘Hoeveel, meneer?’ ‘Dut dur mar twieu, det wiefke heej langs meej lust dur ok wal un, nit woar?’ Hij knikt naar Kaldewijn.

Kaldewijn glimlachte beleefd ‘Nou vooruit dan.’

‘Dat is dan 4,50.’ ‘Podverjutjes, wat un geld tegewoordig. En det vur twieu gleskes werme wijn.’ 

‘Nou, kumse ut gezellig beej , miech in de kraam opdrinke meid?’ Vroeg hij aan Kaldewijn.

Dat idee riep veel weerstand op bij Kaldewijn. Zo dicht bij de bron van de stank zitten had ze geen zin in. De visman vond ze ook een beetje een onguur persoon. Ze bleef liever waar ze nu was. 

‘Nou nee dank u wel. Ik blijf bij mien knollen.’ 

‘Podverdomme, ik betal wal moi dien wijn, joh!’ ‘Kom dur gewoen beej zitte, dut nie zo moeilijk.’

‘Nee, dank u vriendelijk, ik blijf hier.’

De wijnverkoper was bij Kaldewijn’s kruiwagen blijven staan en keek van de knollen op om de visman gade te slaan. 

De visman liep een beetje rood aan maar dat trok ook snel weer bij en de glimlach van een wijsneus verscheen op zijn lippen.

Hij verdween nu even uit beeld om vervolgens door het deurtje van z’n kraampje naar buiten te treden. Hij stapte op Kaldewijn af. Hij zette de beker met warme wijn met een klap op de rand van de kruiwagen. ‘Zo, als diech nit naar miech kums, dan kom ik wal nar diech.’ En hij propte zich  naast Kaldewijn op het bankje. Kaldwijn schoof wat van hem vandaan. De wijnverkoper vroeg: ‘Maar wie let er nu dan op de viskraam?’

‘Ach geen mens wil die rotzoei hebben.’ Reageerde de visman. 

‘Dan zit ik leever langs dit wiefke heej dan tusse die rotte visse.’

Daar kon Kaldewijn nog inkomen.

‘Dus wat is ow naam, schon meadje*?’ Kaldewijn reageerde niet. ‘Ach kom, ik heb ow wijn betaald, wat ge nou drinkt, geef miech dan op z’n minst owwe naam.’

‘Ik heet Kaldewijn.’ Zei ze dan maar. 

‘Pfffrr, Kaldewijn, wat is dat vur unne naam?!’ Er spoot een beetje wijn uit z’n neusgaten.

De visman stond op. Hij lachte nog steeds. ‘Kaldewijn drinkt werme wijn, dit mot un grap zijn, geej ziet meej unne moije. Kaldewijn.’ Hij veegde een traantje uit z’n ooghoek. ‘Kaldewijn… haha. Kaldewijn drinkt werme wijn, manmanman.’

De visman draaide zich om en liep nog na mompelend terug naar z’n kraampje.

Kaldewijn keek de wijnverkoper vragend aan.

Deze beantwoorde Kaldewijns blik met ‘Hij komt uit 

Mooi meisje*

Grubbenvorst. In het Grubbes dialect betekent ‘kald’ koud.’

Nu viel het kwartje bij Kaldewijn. Koude wijn drinkt warme wijn.

Nou, wat flauw om daar nu zo in de lach van te schieten. 

Ze vond de visman maar een simpel figuur. 

De wijnverkoper stond daar nog steeds. Nu hield hij een knol in z’n rechterhand. Hij woog ze in gedachte.

‘Dus wat gaat ut worden beste wijnverkoper?’ Vroeg Kaldewijn. ‘Die grote kost 2,40. De rest is goedkoper.’

De wijnkoper had een glimlach op z’n gezicht toen hij opkeek van de knollen. ‘Ik neem ze allemaal.’

Kaldewijn verstrakte even. Deze man wilde ruim 40 kilo pulpknollen kopen. Er verscheen een glimlach op Kaldewijns gezicht. Ze zou niet alleen meer dan de, door Fritz, geëiste 17 kilo overschrijden, het zou ook voor het eerst zijn dat er geen knollen mee terug naar huis kwamen. Voor het eerst een hele kruiwagen verkocht. 

Haar ogen begonnen te fonkelen. ‘Wil ik ze inpakken, voor meneer?’

‘Nee, dat hoeft niet. Maar als je bij m’n huis zou willen afzetten, zou dat erg fijn zijn. Ik geef je er dan nog eens 15% bovenop.’

Dat leek Kaldewijn een prima deal. Ze pakte de kruiwagen bij z’n handvaten en de wijnverkoper begeleidde haar naar z’n huis. Het bleek het laatste huis van het dorp te zijn, voordat je de dijk op rijd. Ze hielden halt. De wijnverkoper stond stil voor de poort naast z’n huis. Het was een fraai gebouw. Veel rechte bakstenen. Bovenop zat ook een dak, van riet.  De man zocht in de zakken van z’n jasje naar de sleutel van de poort. Hij had ‘m gevonden. Stak ‘m in het slotwerk en draaide hem om. Zo opende hij de poort. 

‘Zet de kruiwagen maar even hier neer.’En hij wees naar een plek, net achter het poortje. Bij een stapel stenen in de buurt.

Kaldewijn liet die woorden even bezinken. ‘Even’ hier neer zetten. Aha, ja. Het zal wel niet lang duren dan. 

‘Ik ga even het geld halen, hoeveel was het ook alweer? Ohja, ik weet het weer. 50 kegels, nietwaar?’

Kaldewijn knikte. 

‘Kom maar even binnen staan, buiten is het zo koud.’ Zei de man, terwijl hij in de deuropening stond die meteen links van de poort in een muur was gestopt. De man draaide zich om en liep een ruimte in het huis binnen. Kaldewijn stapte door de deurpost.

Het was donker in het huis, en vrij koud ook, realiseerde ze zich. Ook een beetje vochtig. Maar dat gaf niet zo veel. Ze zou hier toch maar eventjes blijven. Het verschil in temperatuur tussen binnen en buiten was erg klein. De wijnverkoper wilde dit volgens haar niet toegeven. Maar koud, dat was het. 

Ze hoorde wat gerommel uit de ruimte waar de man in verdwenen was. Toen het geluid van vallende dingen. Nog wat gerommel. De man kwam weer te voorschijn. ‘Excuseert u me, ik heb me in de ruimte vergist.’ En hij dook de volgende ruimte in. Nu duurde het niet zo lang voordat hij weer te voorschijn kwam. In elke hand had hij een voorwerp vast.

Toen hij dichterbij kwam en uit de ergste duisternis stapte kon Kaldewijn zien wat het waren. In z’n rechterhand hield hij een revolver, en in z’n linkerhand hield hij een klein zilver bolletje. Zo bleef de man een poosje staan.

‘Heb je de pegels kunnen vinden?’ Vroeg Kaldewijn.

‘Dit is een overval, kluns!’ snauwde de man. Ah, dat verklaarde de revolver. Maar vanwaar dan dat kleine zilveren bolletje? ‘Vanwaar dat kleine zilveren bolletje?’

De wijnverkoper annex overvaller begon te grijnzen. ‘Ik geef je de keus.’

‘Ofwel je kiest voor de revolver, dan pik ik je knollen en schiet ik daarna door uw piefke. Of nee, andersom. Ik schiet je eerst door uw piefke en dan steel ik je knollen. Nee, wacht, ik heb je knollen al op m’n land staan, dus de volgorde maakt niets uit.’

‘Ik schiet je dus gewoon door je hoofd, waarna ik je begraaf. Ik heb al een mooi gat gegraven op de dijk, daar gooi ik je dan in. Misschien krijg je ook wel een knolleke cadeau. Ofnee, geen cadeau, je bent dan toch dood.’ 

‘Aan cadeau’s heb je niets als je dood bent.’ concludeerde Kaldewijn na een poosje denken, wat eigenlijk vrij snel ging, anders was de overvaller misschien z’n geduld verloren en had hij haar misschien wel door haar piefke geschoten.

‘Of je kiest voor m’n linkerhand, waarin ik een vingerhoedje heb geklemd.’ 

Kaldewijn keek naar de linkerhand van de man. Het glinsterende voorwerp bleek dus een vingerhoedje te zijn. Ze vond het een fraai vingerhoedje en ze besloot dat dat niet onopgemerkt mocht blijven. Dus schraapte ze haar keel en zei: ‘Het is een mooi vingerhoedje.’ 

‘Ja, he. Dat vind ik ook. Ik kreeg het van m’n eerste vrouw’ reageerde de overvaller. De vastberadenheid in z’n stem was hij nu kwijt. Het leek zelfs of z’n ogen vol liepen. Of kwam dat doordat het zo vochtig was in het huis? Ja, het kwam vast door het vocht. ‘Ze gaf het op haar sterf bed aan mij. Ze had prostaatkanker, in de tijd dat die er ook voor vrouwen was, nu geldt dat niet meer. Ze had het vingerhoedje van haar moeder gekregen. Die heb ik nooit gekend, want die stierf toen m’n Magrietje 13 was. Ook prostaatkanker.’

Nu was het duidelijk dat het traanvocht was dat de ogen van de wijnverkoper vulde. Hij snikte er bij. De rest van het verhaal van z’n verhaal kon Kaldewijn  niet meer verstaan. De man had z’n blik op het vingerhoedje gericht en z’n linkerhand, met de revolver, hing een beetje slap naast z’n lichaam. Z’n hele lichaam schokte mee me het gesnikt. Tranen rolde nu over z’n gezicht terwijl hij nog wat mompelde over dode geiten en knollensoep.

Kaldewijn had wel genoeg gehad voor vandaag. Ze draaide zich om en liep weer door de deurpost. 

Daar stond haar kruiwagen met knollen nog steeds. ‘Verdomme, ‘ dacht ze, ‘nu zit ik nog met ruim 40 kilo knollen.’ Ze had voor de interactie van de visman en de wijnverkoper  12 kilo verkocht. Dat voldeed niet aan de geschatte 17 kilo, maar Fritz was ook wel eens met minder thuis gekomen, dus ze hoefde zich niet te schamen. Kaldewijn pakte de kruiwagen op en reed weer door het poortje, de wijnverkoper huilend achterlatend. 

Ze reed de lange dijkweg weer over. Ze had het koud. Ze wilde warme knollensoep. Elke dag wanneer Fritz terug kwam van de markt had Kaldewijn een lekkere kom soep op tafel staan. 

Aan haar linkerzijde waaide de wind woest over het water. Aan haar rechterzijde lagen akkervelden en grasvelden. In de zomer graasden er schapen, in de lente ook enkele lammeren. In de herfst niet. Laat staan in de winter, wat het nu dus was.  Ze hoopte dat Fritz soep had gemaakt, maar diep van binnen wist ze dat Fritz zoiets niet deed. Het was een lieve man, maar buiten z’n dagelijkse reepjes spek waagde hij zich niet in de keuken.

Kaldewijn dacht nog even aan de arme wijnverkoper. Zou hij nu nog aan het snikken zijn? Ze hoopte dat hij de deur gesloten had nadat Kaldewijn vertrokken was. Anders zou hij nog kou kunnen vatten. Een eigenaardig voorval was dat geweest, dacht Kaldewijn nu zo. Ze kreeg haar 50 kegels niet en hij wilde haar vermoorden. Zoiets maak je niet elke dag mee. Wat was er gebeurt als ze voor de revolver had gekozen? Nu ze er aan dacht: wat hield de keuze voor het zilveren vingerhoedje eigenlijk in? Kaldewijn wist het niet.

Ze had het bovendien te koud om er echt lang bij stil te staan. 

Ze had in middels het kneuterige boerderijtje waar ze woonde bereikt. De takken van de wilgen langs Fritz’ schapenweitje stonden fier recht op, doch leken sommige ook treurig naar beneden te neigen. Kaldewijn liep het laatste stukje over het erf. Ze kwam bij de voordeur aan. Ze was nogal vermoeid en koud. Ze had geen zin om de kruiwagen nog weg te zetten. Die liet ze dus voor de deur staan. Fritz zal er toch niets van merken. Die komt de komende dagen toch niet buiten.

Ze ontdeed zich van haar muts en sjaal. ‘Maar wacht eens. De knollen zullen bevriezen als ik ze nu buiten laat staan. Dan smaken ze niet meer.’ Ze besloot de kruiwagen toch maar even op te bergen. Ze reed het wagentje naar het afdak waar de knollenmachine stond en gooide alle knollen terug. Ze legde voor de zekerheid ook een aantal doeken over de machine. Het kon tenslotte nooit warm genoeg zijn voor zo’n apparaat.

Nu kon ze eindelijk naar binnen. Ze ontdeed zich ook van haar handschoenen en stapte toen naar binnen. Het was volledig stil van binnen, op het knarsende geluid van de draaiende platenspeler waarbij de plaat allang afgelopen was. Fritz lag in de bedstee te slapen. Kaldewijn liep naar de platenspeler en haalde de naald van plaat af. Het was Malcuzynski Sonata in B minor. Het was Kaldewijns favoriete plaat. Fritz moest er niets van hebben, maar hij had hem nu wel helemaal afgespeeld in de hoop Kaldewijn bij haar aankomst er mee te verrassen.

Dat ontroerde Kaldewijn. Zo bewees Fritz de lieve man te zijn die hij was. Toch baalde Kaldewijn er van dat er geen warme soep klaar stond. Ze wist dat Fritz nooit in z’n leven soep voor haar zou maken en daarom besloot Kaldewijn dat ze voortaan nooit meer naar de markt ging om knollen te verkopen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *