Meld je aan voor de nieuwsbrief

Het begon zojuist te regenen. Juist toen Walbert de voordeur van zijn op één na laatste adres achter zich dicht sloeg. Het deed hem weinig zeer, want hij hoefde slechts enkele meters af te leggen tot dat hij bij zijn busje was. Vlug stapte hij in en wierp z’n gereedschapskist op de bijrijdersstoel.

Ondanks de geringe tijd die hij in de regen door gebracht had, drupte het water uit zijn haren op zijn schoot. Het was een treurig gezicht om hem zo te zien zitten. Walbert zat een beetje doorgezakt op de bestuurdersstoel van zijn bestelbusje.

Hij had er een lange werkdag op zitten en dat was te zien aan z’n afgetobde lichaam. De druppels die van z’n haren afkomstig waren, landden zowel op zijn schoot als het dashboard. Met een lijzige beweging reikte zijn hand naar het contact van de auto.

Welhaast net zo loom duwde hij de autosleutel in het contact en draaide hem om. Het eerste wat hij daarna deed was de ruitenwisser inschakelen. De routine van de andere handelingen om de wagen rijdend te krijgen, volgde direct daarop. Walbert reed in zijn busje weg. Zijn werkdag was nagenoeg afgelopen, één enkel huishouden stond nog op de planning. 

Walbert reed er maar naar toe. Door het slechte weer moest hij zich extra goed op de weg concentreren. Dat viel hem erg zwaar. Liever sloot hij z’n ogen en daarbij ook de rest van z’n zintuigen. 

De weg was simpel, want hij hoefde slechts eenmaal af te slaan. Naar rechts. Toch duurde de weg te lang voor zijn gevoel. Het grootste deel van de weg, het deel dat hij rechtdoor moest rijden, was van een dusdanig saai niveau dat Walbert zo nu en dan aan z’n behoefte om zijn ogen te sluiten voldeed. 

Langs de weg werd de bebouwing steeds minder, totdat er slechts een enkel rij bomen aan weerzijden van de weg over was. Aan de bomen was een bepaalde chronologie te herkennen want naarmate Walbert de weg vorderde, werden de bomen steeds groter en dikker.

Op het moment dat de bomenrijen in een groot en oud bos dreigden op te gaan was het tijd voor de enige afslag van de route. Naar rechts sloeg hij af. Aan de weg naast het bos lag een groot, oud, houten huis. Met de achterdeur naar het bos gericht.

Dit huis was Walberts bestemming. Hij hoopte dat de klus snel geklaard kon worden. Vlug telde hij het aantal ramen van het huis; twaalf aan de voorzijde, zeven aan de zijkant en de bovenverdieping kende vier dakramen. Het was een ruim huis met veel ruimtes , dus er moesten vele lichten branden. Dat stemde Walbert ontevreden. Hij had geen trek in een lange klus zo laat op de dag nog.

De regen was aan blijven houden en dat versterkte Walberts ontevredenheid. Hij reed het busje naar het huis waar hij hem enigszins scheef voor het gebouw parkeerde. Normaliter irriteerde hij zich in bijzonder mate aan scheef geparkeerde auto’s en was hij zelf de laatste die zoiets zou doen, maar Walbert was in het huidige moment te moe voor deze ergernis. 

Hij griste naar de handvaten van z’n gereedschapskist, want dat zijn de handigste plaatsen om zo een kist vast te pakken. Hij nam de kist op zijn schoot en keek nog eens goed om het busje heen.

Door de schimmen der duisternis en de regen kon hij niet verder kijken dan de rij huizen. Het gebrek aan zicht vulde hem met een bepaald leeg gevoel dat hij als fijn ervoer. Vlug gooide hij de portier van het busje open en stapte naar buiten.

Even bleef hij staan om een flinke teug boslucht in te ademen. Zijn mondhoeken krulde even op bij deze ervaring. De omhoog gekrulde mondhoeken vormden een gek contrast met zijn gefronste wenkbrauwen die hij omhoog hield om de druppels vanuit z’n haren uit zijn ogen te houden. 

Toen de regen door zijn haren op zijn hoofdhuid begon door te dringen besloot hij zich naar het huis te haasten. Bij wijze van geluk hing er een afdak boven de deur.

Walbert zette zijn kist met werktuigen op de grond, wreef wat over z’n jasje en achtte zich in staat om de laatste klus van de dag te klaren. Door de ontbering van de bel was hij genoodzaakt om aan te kloppen, maar nog voor hij met zijn gebalde vuist de houten deur aantikte, scharnierde de deur al open.

Binnen zag Walbert een duisternis die niet onderdeed voor de donkerheid die zich buiten het huis bevond. Van achter de deur en uit de duisternis stapte een oudere dame. Ze sprak niet direct en dat gaf Walbert de mogelijkheid het vrouwtje eens goed in zich op te nemen.

Haar haren waren al aan vergrijzen en haar rug bezat niet meer de trotse gespannen vlezigheid waar een jonge vrouwenrug om bekend staat. Ze rook ook een beetje muf en Walbert vroeg zich af of het de geur van stof was dat in haar huid was getrokken, of dat het nu eenmaal de geur van de gedateerde kleding was die ze droeg.

Al met al kreeg Walbert het beeld dat dit een vrouw was die in geen jaren meer contact met een ander mens gehad had. 

‘Mijnheer komt het licht brengen?’ vroeg het vrouwtje met een gulle glimlach.

‘Correct, dat is de dienst die ik te bieden heb. Vertelt u me maar waar het probleem zich bevindt. Of heeft u geen bepaald idee waar het zich bevindt?’ sprak Walbert.

‘Oh jawel beste heer, volgt u mij vooral, ik zal het u wijzen. Ja, ik zal u wijzen waar het probleem zich bevindt.’ deelde het vrouwtje Walbert mede terwijl ze zijn hand vastgreep. ‘Loopt u maar mee, ik begeleid u.’

Walbert trok verschikt door de plotselinge intimiteit zijn hand terug. ‘Uhm, ja, oké.’ mompelde hij en keek even schichtig naar binnen.

Een lange werkdag afsluiten met een handtastelijk, iets té vriendelijk vrouwtje, dat was iets waar hij totaal niet op te wachten stond. Om zijn tegenzin te verhullen tuurde hij gebiologeerd de duisternis van het huis binnen.

‘Wacht heel even mevrouw.’ Zei Walbert terwijl hij met gespleten ogen naar binnen keek. Hij achtte de aanwezige duisternis te hardnekkig om duidelijk onderscheid te maken tussen voorwerpen en besloot, voordat hij het vrouwtje naar binnen zou volgen, een zaklantaarn uit zijn gereedschapskist te halen. 

‘Oh, wat fijn meneer. Dat is handig.’ zuchtte het oude dametje. ‘Met uw zaklicht zullen we de meterkast spoedig vinden.’

Walbert sloot de deur en volgde het vrouwtje. Hij scheen zijn licht voor haar uit en inderdaad: spoedig vonden ze de meterkast. ‘Nu is het probleem als volgt mijn beste heer: ik ben het sleuteltje in een recent verleden verloren en nu kan ik me geen toegang meer verschaffen tot de meterkast.’ ‘Hmm, oké. Heeft u er bezwaar tegen het plan om het deurtje met geweld open te breken?’

Walberts schouders hingen een beetje en het was duidelijk te zien dat hij uiterst vermoeid was. Hij zakte al een beetje door z’n knieën om zo meteen de koevoet direct uit zijn kist te kunnen halen.

Hij wachtte enkel op de bevestiging van het vrouwtje. Die kwam met de woorden: ‘Jawel hoor. Ik vind het toch al zó fijn dat er iemand hier is die me helpen kan.’ Walbert had bij het horen van ‘jawel’ direct z’n kist geopend en was er in gaan rommelen.

Door het geklater van de metalen werktuigen mistte hij de woorden van het vrouwtje vrijwel geheel, maar hij had toestemming om het deurtje open te breken en ook z’n koevoet gevonden dus voor hem droegen alle woorden op dat moment de zelfde betekenisloosheid.

Dat maakte het dus voor hem ook geen probleem dat  hij die specifieke woorden gemist had. Zonder verder nog acht te slaan op het vrouwtje zette hij het breekijzer in de gleuf tussen de deurpost en het deurtje. Zonder kracht te zetten sprong het deurtje al uit z’n slot. 

‘Hey, verrek dit deurtje was helemaal niet afgesloten.’ Walbert draaide zich enigszins woest om en keek het vrouwtje recht aan. Door de waas van vermoeidheid die op z’n gezicht lag was nu ook een scherpe lijn agressie zichtbaar geworden. ‘Houdt u me voor de gek, vrouw? Dit deurtje was open.’

‘Och jeetje, nee ik houd u niet voor de gek mijn beste heer. Zeker niet. Ik zou niet durven. Het is al een oud slot, ik denk dat hij al haast doorgeroest was.’ Walberts woede zonk wat in na deze ontkennende woorden van het vrouwtje. ‘Hmm, oké dan laten we maar eens kijken wat er loos is.’

Walbert opende het deurtje van de meterkast nu volledig en bescheen de inhoud van de kast met zijn lantaarn. Er was geen enkele zekering gesprongen en de aardlekschakelaar verried ook geen onraad. ‘Opmerkelijk, opmerkelijk.’ Mompelde hij in zichzelf.

‘Weet u zeker dat uw lichten niet meer werken, mevrouw?’ vroeg hij voor de zekerheid.  ‘Oh ja, geen enkel licht werkt hier.’ Zei het vrouwtje, maar Walberts achterdocht won het van z’n vertrouwen in het andere mens en hij liep naar de dichtstbijzijnde lichtschakelaar in de ruimte.

Hij schakelde hem in en prompt werd hij met stomme verbazing geslagen: de hele ruimte werd verlicht door een vijftal lampen die aan het plafond hingen.

Nu werd het Walbert wat te veel en hij schoot volledig uit z’n slof: ‘Mevrouw verdomme, u beduveld me! Ik kom poddomme lang na zonsondergang, door noodweer naar een door God vergeten oord gereden om lichten te repareren niet om verdomme spelletjes te spelen!’

En met een rood aangelopen hoofd smeet hij zijn koevoet weer in zijn gereedschapskist. Het vrouwtje schrok zichtbaar van de reactie van Walbert en er sprongen tranen in haar ogen.

Ze begon met haar rechterhandpalm over haar linker pols te wrijven en terwijl de eerste traan haar oog verliet stamelde ze: ‘Och meneer de elektricien. U heeft geen idee. Maar ik woon hier helemaal alleen en afgelegen.’ Ze keek naar de grond en meer tranen volgden de eerste. ‘Mijn man is overleden en mijn kinderen komen me niet meer bezoeken. Ik voel me zo alleen, zo eenzaam. Mijn lichten werken weliswaar, maar dat betekent niet dat ik uw aanwezigheid niet nodig heb. Alsjeblieft, blijft u vanavond eten? Ik heb voor twee personen klaargemaakt. Het is veel te donker en het weer is veel te slecht om nu nog naar huis te gaan.’

Het vrouwtje jammerde nog wat door maar Walbert keek alleen maar met walging naar dit oude hoopje mens dat snikkend haar eigen kleding met tranen bevuilde.

Eerst hem zo voor gek zetten en dan ook nog zelf het slachtoffer durven te spelen. Dat was te smerig voor woorden. ‘Mevrouw, u bent knetter gek. U bent werkelijk van lotje getikt! Gedraag u eens, bah. Vies wijf!’ Walbert spuugde een hele hoop grove woorden over het vrouwtje heen met als gevolg dat het vrouwtje nog verder in kromp.

Walbert pakte vluchtig en agressief zijn gereedschapskist op en beende, zonder nog om te kijken, richting de voordeur. Hij was niet meer helder door de gevaarlijke combinatie van vermoeidheid, woede en agressie en bovendien liep hij ook niet meer onder begeleiding van zijn zaklantaarn. Die bepaalde samenloop zorgde ervoor dat hij op zijn weg naar de voordeur nog een tafeltje omstootte en eenmaal bijna tegen een muur liep. Foeterend door al het ervaren onheil liep hij zonder zich ook maar een keer om te draaien naar zijn busje en reed naar weg.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *